Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maal niet dialectische, tegenstelling tussen het aan-zich- en het voor-zich-zijn berust. Aldus wordt principieel het cartesiaanse dualisme van de denkende en de uitgestrekte substantie in eer en recht hersteld. Feitelijk is het zelfs verergerd, vermits bij Descartes het denken en de uitgestrektheid, alhoewel ze geen gemene determinatie bezitten, toch in zekere mate door de identiteit van het substantie-zijn worden verzoend. Ze zijn immers op dezelfde wijze suhsisterend en op dezelfde wijze relatief tot de goddelijke scheppingsactiviteit. Weliswaar zal Sartre opwerpen dat deze dubbele analogie elke consistentie had verloren, indien Descartes haar betekenis had geëxpliciteerd. Misschien is dat wel zo, maar dan wordt ook de opwerping een bekentenis.

Het bewustzijn, zegt men ons, is een „néant d'être dat zich in de vernieting (néantisation) van het zijnde ontplooit: „L'être de la conscience en tant que conscience, c'est d'exister a üistance de soi comme présence a soi et cette distance nulle que l'être porte dans son être, c'est le néant" x).

De bepaling van de kennis is niet essentieel verschillend. „Dans ce rapport ek-statique qui est constitutif de la négation interne et de la connaissance, c'est 1'en-soi en personne qui est pöle concret dans sa plénitude et le pour-soi n est rien d autre que le vide oü se détache 1'en-soi."2) En nog duidelijker: „la connaissance se confond avec l'être ek-statique du Pour-soi. 3) Dit leidt, voor het probleem dat wij onderzoeken, tot uitzonderlijk zware gevolgen. Ze brengen ons tot een onverzoenbare contradictie tussen Sartre's metaphysica en de phenomenologische gegevens die door dezelfde auteur werden beschreven. Hoe is met een dergelijke bepaling van het bewustzijn en van de kennis nog mogelijk te beweren dat ze niet identiek zijn, dat „toute conscience n'est pas connaissance"4). Welnu het is precies deze identificatie, phenomenologisch nochtans onhoudbaar, zoals Sartre zelf het bekent, welke en de waarneming en het lichaam onbegrijpelijk maakt. De eerste, overeenkomstig wat werd gezegd, herleidt men tot deze naaste en verre aan-

1) E.N. b. 120.

2) E.N. b. 225.

3) E.N. b. 268.

i) E.N. b. 18.

Sluiten