Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel is sinds enkele jaren het budgetair evenwicht, voor zooveel den gewonen dienst betreft, weer hersteld, maar de, na de periode Idenburg, gegeven uitbreiding aan de uitgaven waarvoor men meende ook te mogen leenen, is nog geenszins ten volle teruggenomen. Er is wel verbetering — belangrijke zelfs — maar ze is nog niet afdoende.

Voorts zijn de voorzieningen, die ten laste van den gewonen dienst gebracht zijn om de nog komende stijging der aflossing van de leeningen 1922/1923 op te vangen, nog onvoldoende, en zoo zijn er nog wel meer zwakke punten bij den dienst der uitgaven aan te wijzen.

Ook is voor de komende begrooting de vraag niet ongeoorloofd, of de raming der middelen nog wel aan den veiligen kant is. Veel toch hangt af van de vennootschapsbelasting en van de uitvoerrechten op bevolkingsproducten, evenals van de inkomstenbelasting, voor zoover deze afhankelijk is van de winsten der vennootschappen of van de inkomsten der bevolking uit gelijksoortige producten.

Als de verkoopprijs van de rubber met 10 cent per half K.G. daalt (en hij is sedert het begin van 1928 gedaald met 5 maal 10 cent), dan beteekent dat voor den fiscus ongeveer 4 millioen minder aan vennootschapsbelasting, uitvoerrechten en daling van inkomstenbelasting.

Ook het ramen van de tinopbrengst tot het uiterste maximum kan geenszins als voorzichtig worden gekwalificeerd. Ook dit toch maakt het budget van uitgaven voor den gewonen dienst voor het heden in

Sluiten