Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdwijnt het geloof aan eene nieuwe socialistische maatschappij en steeds sterker toenadering betoond wordt tot de kapitalistische.

In alle levensopenbaring treedt dit naar buiten. Sterk is het merkbaar in de veranderde waardeering van den parlementairen arbeid en de gewijzigde opvatting van den staat.')

De staat is in de kapitalistische maatschappij een klassestaat. Bestrijding van de bourgeoisie, van de ééne reactionaire massa door het proletariaat is een onverbiddelijke eisch, door de leer van den klassenstrijd gesteld. Helder wijst het Communistisch Manifest hier den weg: „Het politiek gezag in den eigenlijken zin, is de georganiseerde heerschappij van eene klasse ter onderdrukking van eene andere. Wanneer het proletariaat in den strijd tegen de bourgeoisie zich noodzakelijk tot klasse vereenigt, door eene revolutie zich tot heerschende klasse maakt en als heerschende klasse met geweld de oude productieverhoudingen opheft, dan heft het met deze productie-verhoudingen de bestaansvoorwaarden van de klassentegenstelling, de klassen zelf en daarmede zijne eigene heerschappij als klasse op."

De staat was naar deze opvatting slechts de organisatie van de bezittende klasse om de arbeiders te knechten, een oorlogswapen van het kapitaal tegen den arbeid, en worsteling van klasse tegen klasse was vanzelf geboden. Voor een daadwerkelijk deelnemen aan den parlementairen arbeid werd luttele sympathie gekoesterd en het in 1869 uitgekomen geschrift van Liebknecht, Ueber die politische Stellung der Sozialdemokruiïe insbesondere mit Bezug uuf den Reichstag, blijft het merkwaardig document van deze geestesstemming. Daar treffen de revolutionaire klanken: „De stembus kan nooit wezen

1) Vergelijk voor breedere uitwerking van dit punt Q. A. Diepenhorst, Socialistische ministers in een niet-soci. alistiiS'Ch m iin i s t er ie, Academisch Proefschrift, V.U., 1914.

Sluiten