Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTEEKENINGEN OP HOOFDSTUK III.

1) In het artikel Eenige inzichten van Adam Smith, opgenomen in Sociaal-economische opstellen aangeboden aan Mr. H. B. Greuen, Haarlem, 1916, blz. 1 en vlgg. Het artikel is verder goeddeels gewijd aan de waardeleer van Smith.

2) Charakterbilde, München en Leipzig, 1913, blz. 126 en vlgg.

3) Deze uitlegging van P a 1 g r a v e, Dictionary of poliiical economy, deel 1, Londen, 1901, blz. 303, komt ons aannemelijker voor dan die, welke B r e n t a n o in zijn in den tekst aangehaald werkje «reeft. Hij oordeelt dat de grond voor die benaming ligt in zekere eigenaardigheden, die de kassieke school met de klassieke richting op ander terrein gemeen heeft. Zoo rekent bv. de klassieke beeldhouwkunst, de klassieke schilderkunst slechts met het algemeen menschelijke, niet met het idividueel bijzondere. Geef den man inplaats van een vork een geldbuidel in de hand en ge hebt den boer in een koopman veranderd. Aldus heeft ook de klassieke school geschapen een „van alle eigenaardigheid van beroep, klasse, nationaliteit en beschavingsperiode vrijen mensch".

4) Grundriss der Sozialökonomik, t. a. p., deel 1, blz. 59.

5) In zijn tevoren aangehaald artikel in het Jahrbuch fiir Gesetzgebung, Verwaltung und Volkswirtschaft.

6) ie deel, 2e druk, Haarlem, 1896, blz. 19 en vlgg.

7) Terecht wordt door Heinrich Dietzel in het belangrijk artikel Selbstinteresse in het Handwörterbuch der Staatswissenschaften het al of niet uitgaan van den homo economicus als het criterium voor het vóór en tegen de klassieke school beschouwd. Op hoeveel punten P r o f. G r e v e n ook water in den onvermengden klassieken wijn doet, toch houdt hij met kracht aan haar karakteristieke stelling vast: „De oude theoretische staathuishoudkunde, inplaats van als abstract, hypothetisch, deductief terzijde gesteld te worden, behoudt ten volle haar nut; juist aan deze eigenschappen ontleent zij haar recht van bestaan... Terwijl zij van alle motieven behalve die van het eigenbelang abstraheert en nog daarbij veronderstelt, dat het op de meest verlichte wijze wordt bevordert.. "

t. a. p., blz. 19 en vlgg.

8) De ontwikkeling der theoretische economie, Haarlem, 1918. blz. 13.

9) Voor een uitvoeriger behandeling der hier besproken punten

Sluiten