Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hoogleeraar Heller denkt er anders over. Hij wil het onderzoek naar het vaderschap vrijstellen. Slechts met deze beperking, dat een termijn voor het instellen der vordering bepaald zij (1). En liever wil hij het onderzoek geheel verbieden (het M a t e r n i t a t s p r i n c i p), dan het vrij te laten (het Paternitatsprincip), doch binnen nauwe grenzen (2).

Zelfs werd op den vierden Juristentag door den heer König uit Cleve een voorstel gedaan, dat echter werd verworpen, om het onderzoek naar het vaderschap onvoorwaardelijk te verbieden, zonder eenige uitzondering (3).

Ook zegt het toelaten van uitzonderingen op zich zelf niet veel. Nog in '1880 noemde de heer Fochier de bepaling van het Fransche recht., die het onderzoek alleen toelaat in geval van schaking, wanneer bovendien sl'époque de eet enlevement se rapportera a celle de la conception": »une interdiction qui n'admet qu'une exception presque illusoire' (4). En Amiable schrijft in gelijken trant: »Le cas unique de recherche pour cause d'enlèvement, ne compte véritablement pas; car les statistiques officielles, publiées depuis dix ans par le ministère de la justice, ne relèvent, pour les années 4872-1881, pas un seul procés en recherche de paternité" (5).

m Ver handlang en, dl. II, bl. 250: „Sie müssen doch zuerkennen, das/, auch der priUumtive Vater wissen musz, wann er denn einmal von der Angst befreit iet, mit der Klage belangt zu werden .

(2) T. a. p-, dl. II, bl. 246 en 248. ,

f3) Zie V erhandlungen des vierten deutschen Jurist en tages, dl. II, bl. 134 en 147. In gelijke richting uitte zich ook de heer LiNGMASN uit Koblenz. Zie bl. 140.

(4) Zie Amiable, t. a. p„ bl 72.

(5) T a p bl 85. Van denzelfden aard is de opmerking, ten aanzien van ons land gemaakt door den schrijver van de

van onderzoek naarden echten z.nenbedoel van art. 342 van het Neder la ndsche Burgerlgk Wetboek, a°. 1843, bl. 27.

Sluiten