Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misdaad, gelijk dit in art. 394 van het Wetboek van 1830 voorkwam (1).

Eindelijk worde hier nog vermeld de wijziging, die art. 342 B. W. onlangs heeft ondergaan. Bij art. 4 van het bij Kon. boodschap van 12 Febr. 1883 bij de Tweede Kamer der StatenGeneraal aanhangig gemaakte ontwerp is voorgesteld de uitzonderingen van art. 342 al. 2 uittebreiden tot de gevallen, voorzien bij de artt, 242—245, 249 en 281 van het Wetboek van Strafrecht van 3 Maart 1881.

De Memorie van toelichting verklaarde die bijvoeging noodig, omdat bij de artt. 243—245 en 249 de ratio dezelfde als bij verkrachting is. De uitbreiding van art. 342 al. 2 was een logisch gevolg te achten van de veranderingen, die de bepalingen omtrent het plegen van ontucht in het Wetboek van Strafrecht hebben ondergaan.

«Onzekerheid van afstamming is de grond van het verbod van onderzoek naar het vaderschap. Waar die onzekerheid door toepassing der bepalingen van de Strafwet wegvalt, vervalt naar het bestaande recht het verbod, en nu is het door de bepalingen van het nieuwe Strafwetboek in meer gevallen dan tot dusver mogelijk, om te dien aanzien tot voldoende zekerheid te komen" (2).

Op eene in het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer gedane vraag werd door den tegenwoordigen Minister van Justitie geantwoord, dat niet het geweld, waarmee het misdrijf gepleegd is, maar de meerdere waarschijnlijkheid, die uit eene veroordeeling ter zake van ontucht omtrent de afstamming voortvloeit, voor den wetgever de aanleiding was, om in

(1) Voorduin, Geschiedenis en beginselen der Nederlandsche wetboeken, dl. II, bl. 564.

(2) Bijlagen, 1882—1883, no. 152 bl. 8.

Sluiten