Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen zeggen: pater is est quem concubinatus demonstrat (1).

Maar, — hier maakt men een sprong, die o. i. niet gerechtvaardigd is, — kan daarom buiten huwelijk de Ausschlieszlichkeit alleen door een negatief bewijs worden aangetoond ?

Op welken grond zal men dat verdedigen ?

Kan de rechter niet in verschillende gevallen op meer positieve wijze een voldoenden graad van zekerheid omtrent de Ausschlieszlichkeit, en alzoo omtrent de afstamming, bekomen? Gewis de gemeenschap mag niet alleen op onbelijnde liefde rusten, maar moet den objectieven huwelijksband tot basis hebben. Alle gemeenschap daarbuiten is zonde voor God (2). Maar valt daarom alle praesumtie der Ausschlieszlichkeit in zoodanig geval aanstonds geheel weg? Zoodat de rechter nu volstrekt niet meer durft beslissen, tenzij de moeder sedert den bijslaap gevangen heeft gezeten !

De gewone bewijsmethode is dit althans niet. Hoe luide Unger het ook klinken late, dat het door hem geteekende spoor het echt-juridische is, — gelukkig dat men dan maar vaak wat minder juridisch is. Doch we mogen Unger zelfs den schoonen naam van echt-juridisch te werk te gaan, niet laten. Of wordt dan een beschuldigde nimmer veroordeeld, tenzij de onmogelijkheid van niet-toerekeningsvatbaarheid op gelijke wijze is aangetoond?

Von Jhering is zelfs van oordeel, dat in gewone oinstan^ digheden alleen het bewijs van den bijslaap recht geeft tol het vaderschap te concludeeren. »Unger had bemerkt." dus

(1) Zie Coulet en Vaunois, t. a. p., bl. 69; Amiablë, t. a. p., bl. 151.

(2) In het aan de Leidaehe lloogesehool verdedigd proefschrift van den heer Tavenraat heet alleen ongeoorloofd elk stuprum buiten „de grenzen van hot huwelijk en der bordeelen," enz.

Sluiten