Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verbod van onderzoek naar het vaderschap zouden kunnen rechtvaardigen, wel van bijzonder gewicht zijn (1). Een drietal argumenten wordt daartoe bijgebracht.

Laat men het onderzoek in rechten toe, hoe wordt daarmee

niet de toegang geopend voor gedingen van weinig delicaten aard.

Inderdaad dit argument heeft kracht. Dergelijke gedingen oefenen toch, helaas! in bijzondere mate aantrekkenden invloed. Hoe kon men dit nog onlangs zien, toen bij zulk een geding voor het Hof te 's-Gravenhage zelfs de hoogere kringen zich schenen te verdringen om toch niet ééne bijzonderheid van deze procedure te missen.

Of vergissen we ons? Is het niet alzoo gemeend? Heeft men veeleer juist het omgekeerde bedoeld? Die gedingen zijn zoo weerzinwekkend. Althans voor de rechters. En deze doen den lande al zooveel goeds, dat men hun nu die zaken wel besparen mag.

Art. 13 Wet A. B. bepaalt, dat de rechter, die onder voorwendsel van het stilzwijgen der wet weigert recht te spreken, vervolgd kan worden. Straks zou dan iets soortgelijks wellicht moeten worden opgenomen ten aanzien van den rechter, die

weigert recht te doen omdat de zaak hem te veel afschuw wekt.

Is dit argument ernstig gemeend?

Men heeft er op gewezen van hoeveel uitdrukkelijk toegelaten vorderingen hetzelfde gezegd kan worden. Aldus de advocaat-generaal Fochier in zijne den 3den November 1880 \ooi het Hof van appèl te Lyon gehouden redevoering: »Le scandale! c'est 1'objection. Elle ferait supposer, Messieurs, que

(2) \ oor die argumenten verklaart Z ACHARia, t. a. p., bl. 30 niet uit den weg te gaau.

y

Sluiten