Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het feit begroet, dat de Regeering in 1921 daarvoor een afzonderlijke inspectie instelde, te meer nu de Regeering bij hare keuze zoo'n gelukkige hand heeft gehad door de benoeming van Dr. van Voorthuijsen, in wien de door hem zelf zoozeer gewenschte samenwerking van den paedagoog en den medicus vleesch en bloed geworden is.

Indien het spreker geoorloofd is naar aanleiding van het door Dr. van Voorthuijsen gesprokene een vraag te stellen, dan zou het deze zijn: De heer Van Voorthuijsen heeft bij de afbakening der grenzen naar beneden voor de zwakzinnigenzorg gezegd, dat men als eisch moet stellen dat het mogelijk is de zwakzinnigen te brengen tot productieven arbeid. Nu heeft zulks, en vooral ook de nadere omschrijving, dat onder productieven arbeid is te verstaan op geld waardeerbare arbeid, bij spreker de vraag doen rijzen, of bij de bepaling dier grens dan ook rekening moet worden gehouden met de mate, waarin die arbeid op geld waardeerbaar is, in dien zin dat, wanneer die arbeid feitelijk zoo goed als geen geldelijke waarde heeft, van onderwijs aan zwakzinnigen zou moeten worden afgezien. Deze vraag mag vooral worden gesteld in de tegenwoordige tijdsomstandigheden, nu tallooze volkomen volwaardige arbeidskrachten zonder werk zijn en de op geld waardeerbare waarde van den arbeid der zwakzinnigen den invloed daarvan moet ondervinden. Spreker wenscht daarom den inleider te vragen, of in deze omstandigheid zijns inziens een reden kan gelegen zijn om de grens als verlegd te beschouwen en het onderwijs aan zwakzinnigen in te krimpen.

Dr. J. Kat (Geneesheer-Directeur van het „Apeldoornsche Bosch"): Als Dr. van Voorthuijsen bepleit de zwakzinnigenzorg tot ontwikkeling te brengen als een geheel afzonderlijken tak van het maatschappelijk hulpbetoon, dan kan men dit waardeeren als een gemakkelijk aansprekende, pakkende leus om er de belangstelling voor aan te vuren, maar die leus zou, als alle leuzen, gevaarlijk worden, indien men haar in de praktijk letterlijk ging toepassen. Van oudsher immers vervullen de krankzinnigengestichten, later de psychiatrische inrichtingen, onder de werking der zoogenaamde „krankzinnigenwet" een zeer belangrijke rol bij de verzorging van lijders aan idiotie, imbecillitas (beide uitdrukkelijk erkend als vormen van „krankzinnigheid", die „krankzinnig"-verklaring en opneming in een „krankzinnigengesticht" wettigen), debilitas mentis en psychopathie. In Spr.'s inrichting beloopt hun aantal tot 25% van het bestand, en in de andere inrichtingen zal het wel niet veel anders

Sluiten