Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonderlijk kind", of „wat is dat een rare" — zooals van oudsher is gebeurd —■, maar de school moet, zal zij werkelijk paedagogisch kunnen optreden en zal zij als onderwijsinrichting haar roeping nakomen, in staat zijn om den achtergrond van het afwijkende gedrag van bepaalde kinderen te doorzien. Wij komen hierop straks (speciaal bij de besprekingen van hetgeen onder f. en onder j. in de korte samenvatting staat) nog nader terug. Thans willen wij er slechts op wijzen, dat de eisch, dat de school kijk heeft op de afwijkingen der kinderen, een logische consequentie is van hetgeen de school zelf als haar eigen taak erkennen moet.

Maar al te zeer toch bestaat het gevaar, dat men op de lagere school voortdurend bezig is den lof van de middelmatigheid te zingen. Zoowel den lof van de begaafdheidsmiddelmatigheid als den lof van de structuurmiddelmatigheid. Ook dat laatste. Een gemakkelijk afleidbare neurastheniker met groote begaafdheid heeft het op school vaak moeilijker dan een middelmatig en weinig emotioneel kind, dat zoet en bijna domweg eenvoudig doet wat hem wordt opgedragen. Al te veel heeft de school gevaar geloopen, een driedeeling, hoogstens een vierdeeling van de groep te aanvaarden, n.1. goede leerlingen, gewone leerlingen, leerlingen die moeilijk kunnen meekomen en leerlingen die achterblijven. Men moet niet vergeten, dat dit geen psychologische indeeling is. Dit is eenvoudig een indeeling, ontleend aan de figuur van het doosje en het dekseltje. Het doosje is dan het klassikaal onderwijs, het dekseltje de geschiktheid van het kind om zich bij dezen specialen onderwijsvorm aan te passen. Men vergeet echter, dat er keurig passende dekseltjes zijn, die achteraf in de samenleving toch maar heel kleine dekseltjes blijken te zijn, en dat er anderen zijn, over wie de school dikwijls zuchtte: „die dekselsche kwajongen", een verzuchting omdat hij zoo dekselsch weinig deksel was, en over wie dan achteraf, als ze in het leven kwamen, en schitterend slaagden, herhaalde malen een „verdekseld, hoe is het mogelijk werd gesproken. Naar het mij voorkomt is de school van heden wel rijp om te begrijpen, dat het individueele verstaan verder moet gaan dan bij de daareven geschetste houding. Maar dit verstaan moet niet alleen betrokken worden op hen, die intellectueel begaafd, zich wat moeilijker bij de kleine maatschappij, die klas heet, aanpassen, maar het moet ook betrokken worden op hen, die afwijkingen vertoonen, waardoor zij in hun kinderjaren den goeden invloed van het schoolonderwijs en de schoolopvoeding zouden moeten missen, hetzij geheel, hetzij ten deele.

Sluiten