Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkelijke gemeenschap zijn hiervoor de onontbeerlijke voorwaarden. Dit behoeft men niet altijd te zien in humanistische zin, ook de Kerk weet hier het hare over te zeggen.

De „geestelijke" sfeer

Bij de bespreking van de minderwaardigheidsgevoelens stuitten we al op verschijnselen als schuld, geweten en verantwoordelijkheid en we merkten daardoor dat we allengs in dat gebied kwamen, dat we zouden kunnen noemen het gebied van de „geest".

We willen hier alweer niet te veel beschouwingen ten beste geven, hoewel inzonderheid dit terrein daar overvloedig aanleiding toe geeft. Slechts willen we enkele verschijnselen bespreken die voor de bouw van het karakter van directe betekenis zijn.

Als zodanig zien we vooral het „willen" en het „intellect".

Het willen grenzen we hier dus af van de psychische sfeer, alweer op vrij willekeurige wijze. We doen dit omdat we het zouden willen beschouwen in nauw verband met het bewuste geestesleven. Zagen we bij de vitale sfeer in sterke mate de gedrevenheid en de overmacht over ons, en bij de psychische sfeer meer de innerlijke ervaring en het zelfbewustzijn, hier bij 't willen denken we vooral aan de eigen activiteit, aan de wijze waarop we ons lot in eigen handen menen te nemen. En bij het intellect, bij het verstand en het inzicht in de samenhang der dingen hebben we meestal ook de mdruk dat we hier actief optreden, en dat we als het ware heersen over de dingen die we overdenken. Hoe bedriegelijk dit alles is, en in hoe sterke mate dit alles toch afhankelijk is van de beide andere sferen der persoonlijkheid, dit is een onderwerp dat in de psychologie tot uitgebreide studie aanleiding heeft gegeven. We laten dit echter zoveel mogelijk rusten.

Voor ons onderwerp is het van belang er op te wijzen dat zich in de persoonlijkheid allerlei ver-

Sluiten