Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zesde levensphase, de puberteit

Er bestaat een meningsverschil over de vraag naar het wezen van de puberteit. Zoals wij zagen legt Müller-Freienfels er alle nadruk op, dat de introversie reeds in de voorpuberteit, in de periode van elf tot veertien jaar, optreedt. Consequent gaat hij dan verder en beschouwt hij de puberteit als de periode van de toenemende extraversie, als het zich ontplooien van het innerlijk gerijpte en ontwaakte individu naar buiten in alle richtingen. Deze visie staat wel sterk tegenover die van andere psychologen, als bv. S p r a n g e r, die juist de puberteit zien als de typische introverse periode.

Volgens M ü 11 e r-F reienfels berust deze controverse daarop, dat Spranger teveel de cultuur in zijn beschouwingen betrekt. Inderdaad is het een bekend feit dat de Westerse cultuur remmend werkt op de ontwikkeling. Zo is het dan ook wel zeker dat in de puberteitsperiode van gymnasium- en H.B.S.-leerlingen nog veel meer de introverse trekken overheersen. Bij boerenjongens is dit echter zeker niet het geval. Deze zijn soms al op hun veertiende jaar rijp en „wereldwijs" en stichten dan op hun achttiende jaar al een gezin, terwijl hun collega's van de H.B.S. dan nog niet eens hun puberteitsconflicten te boven zijn. De ervaring leert ons elke dag, dat tussen deze beide groepen een groot verschil bestaat. Het is daarom min of meer willekeurig als men zegt: de puberteit is gekenmerkt door introversie. Bij de plattelandsbevolking is dit immers zeker niet het geval.

Intussen is dit probleem meer van psychologische dan van karakterkundige aard. De ontwikkelingslijnen en de structuur van de puberteit als een rijpingsphase zijn immers voor beide gelijk. Alleen de intensiteit van de ontwikkeling en de mate van rijping verschilt.

De problemen die zich in de puberteit voordoen kan men gevoegelijk bezien als de voltooiing van het innerlijk rijpingsproces enerzijds en de ingroei in de gemeenschap anderzijds. In de uitgebreide

Sluiten