Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Raad." Een gevolg daarvan, dat de hoofdinspecteurs, ten getale van vier, de meerderheid in den raad vormen *). In 190(i vond men in het Y. V. over de staatsbegrooting voor het jaar 1907: „Algemeen gaf men te kennen weinig ingenomen te zijn met de werkwijze van den Centralen Gezondheidsraad, en was men van oordeel, dat de samenstelling van dit lichaam aan de te dien aanzien ondervonden teleurstelling niet vreemd is. Men kon zich niet voorstellen, dat de Minister, die ten vorigen jare den tijd voor een welgestaafd oordeel over de nieuwe organisatie van het Staatstoezicht op de volksgezondheid nog niet gekomen achtte, ook thans nog dienaangaande in twijfel zou verkeeren. Immers, het scheen thans niet meer voor tegenspraak vatbaar, dat wat met de instelling van den Raad werd beoogd, eenheid en centrale leiding, niet is bereikt." De toestand, zoo werd dan voortgegaan, was eigenlijk nog dezelfde als vroeger. Feitelijk berustte het toezicht op de volksgezondheid en de uitvoering der wettelijke voorschriften bij de hoofdinspecteurs, die de meerderheid der gewone leden iu den raad vormden. Dezen handelden soms, alsof de raad niet bestond. Velen achtten het gewenscht, dat de hoofdinspecteurs, en misschien ook de secretaris, ophielden lid van den raad te zijn. De eersten konden zich dan ook beter wijden aan hunne eigenlijke taak, bepaaldelijk aan de inspectie van de inrichtingen en gebouwen, genoemd in art. 4 al. 1 der wet. Enkele leden vraagden zelfs, of men niet het best deed met den centralen raad op te heffen.

Minister Rink, van wien men thans een ongunstig oordeel scheen te verwachten, verdedigde echter, omgekeerd, in de Memorie van antwoord den raad met kracht. Zoo schreef hij: „Ter beoordeeling van de vraag, of de Raad beantwoord heeft aan hetgeen met grond van hem kon worden verwacht, heeft men in de eerste plaats na te gaan in hoever hij zich heeft gekweten van de taak, hem bij art. 12 van de Gezondheidswet opgelegd. In dat artikel is, in zes onderdeelen gesplitst, de werkkring van den Raad omschreven. Neemt men in aanmerking, dat hem in den aanvang voldoend geoefend personeel

1) Zie Handd. der S.-Q., 1905/06, II, bl. 736.

Sluiten