Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van gémeen overleg en samenwerking omtrent al wat verder tot de belangen van de Christelijke school behoort", waartoe wij in de eerste plaats de werkzaamheden van onze inspecteurs en Van onze districtsraden rekenen.

Een eigen inspectie voor de bij onze Vereeniging aangesloten scholen acht ik onontbeerlijk en ik heb goede hoop dat onze inspecteurs, naar mate zij ervaring opdoen, de scholen en de onderwijzers leeren kennen en het vertrouwen van besturen en hoofden van scholen door bezadigd en methodisch-principieel handelen weten te winnen, door hunnen arbeid zullen blijken een zegen voor het Christelijk-Nationaal onderwijs te zijn. In dat opzicht sta ik lijnrecht tegenover den Rijksinspecteur Fabius, die onlangs in het Christelijk Schoolblad schreef: „Mijne meening is, dat de eigen inspectie over. de scholen met den Bijbel niets is en nooit iets wordt" en aan de besturen onzer Christelijke scholen den raad gaeft om bij de benoeming van een hoofd der school te „beginnen met het raadplegen van den districtsschoolopziener".

Ik geef daartegenover den raad: begin er nooit mee: principiis obsta. Wanneer onze besturen daarmede beginnen, wordt het licht gewoonte, van gewoonte wordt het recht om gehoord te worden, straks legt eene Regeering U den plicht op den schoolopziener te hooren en eindelijk den plicht om zijn advies te volgen. Dan is het met onze Christelijke scholen gedaan. Daarom begint er nooit mee. Ik laat natuurlijk de personen, die het staatstoezicht oefenen, geheel buiten beschouwing. Het is zeer wel mogelijk dat daaronder mannen zijn, op wier persoonlijk advies ik prijs zou stellen, maar dat is de vraag niet. De her-r Fabius geeft den raad den districtsschoolopziener te raadplegen, dus in zijne qualiteit. En dan zeg ik nog eens: doet dat nooit.

Overigens komt het mij voor dat het niet zeer kiesch is van een Regeeringsinspecteur zóó te cordeelen, en dat in het publiek, over de vrije inspectie der Christelijke Scholen. Ik zou

Sluiten