is toegevoegd aan uw favorieten.

Serta romana

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15 naturam rerum, divina mente coorta, diffugiunt animi terrores, moenia raundi discedunt, totum video per inane geri res. apparet divum numen sedesque quietae, quas neque concutiunt venti nee nubila nimbis 20 aspergunt neque nix aeri concreta pruina cana cadens violat semperque innubilus aether integit, et large diffuso lumine rident: omnia suppeditat porro natura, neque ulla res animi paeem delibat tempore in ullo. 25 at contra nusquam apparent Acherusia templa, nee tellus obstat quin omnia dispiciantur,

Sllb pedibus quaecumque infra per inane geruntur. his ibi me rebus quaedam divina voluptas percipit adque horror, quod sic natura tua vi 30 tam manifesta patens ex omni parte retecta est.

Et quoniam docui, cunctarum exordia rerum qualia sint et quam variis distantia formis sponte sua volitent aeterno percita motu, quove modo possint res ex his quaeque creari, 35 hasce secundum res animi natura videtur atque animae claranda meis iam versibus esse,

vgl. I, 732. 15. naturam rerum hier: de natuur, den aard, der dingen; dikwijls eenvoudig gelijk yvoig de natuur; zie aant. op I, 25.—

i *Vr0eAn/ra e'cundi' vgl' 11' 4144' ~~ '8- 0ver de g°den ™n Epicurus, ■ ' , IIimne woonplaatsen zijn de intermundia of fiszaxóa,uia,

de tusschenruimten tusschen de verschillende werelden, vgl. II, 1144: de venti, nimbi, nix enz. zijn daar niet, daar zij tot het luchtomhulsel beneden den aether behooren. Vs. 19—22 zijn eene navolging van Hom. Odyss. 5, 43—45. — 25. Acherusia templa, vgl. II, 8: de goden bestaan wel, de onderwereld met hare verschrikkingen niet. — 29. adque oudere vorm voor atque, zoo ook somtijds adqui voor atqui. — 31. cunct exord. rerum = atomen. — 32. Vgl. II, 333. - 33. Volgens Lucr. zijn de atomen in eeuwigdurende beweging, 'tzij ze door de onmetelijke ruimte vallen, of wel opgehoopt zijn tot lichamen, die voortdurend toch weer veranderen. Vgl. II, 1145. —.34. quove voor quoque, et quo, zoo ook bij Yergilius. 35. animi.. atque animae: wanneer Lucr. onderscheid maakt tusschen deze twee. is de anima het meer algemeene tegenover den animus als een bijzonder deel; de anima; die volgens hem, evenals de animus, stoffelijk is en uit de fijnste atomen bestaat, is de ziel, die als levensbeginsel het geheele lichaam vervult; de animus is meer beperkt en heeft zijn zetel in de borst; hij heerscht over de anima, als het ag^ixóv, rjyefiovixóv, en is synoniem met de mens. De anima is het akoyov, het redelooze en onbewuste, de animus het Koyixov, het redelijke en zelfbewuste deel van de ziel. Dikwijls echter worden animus en anima niet onderscheiden, maar het een voor het ander gebruikt. De animus in t algemeen bestaat uit vier deelen: ventus, aer,