Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GAIUS YALERIUS CATULLUS.

GEB. 87 V. CHR., IN OF BIJ VERONA, GEST. 54 ONGEVEER.

III.

Aan zijne geliefde, die met zijn vroeg gestorven broeder het middelpunt zijner lyrische gedichten uitmaakt, geeft Catullus den naam van Lesbia, ofschoon ze waarschijnlijk Clodia heette. Zij was de zuster van den beluchten P. Clodius, bekend uit de redevoeringen van Cicero, en de vrouw van Q. Caecilius Metellus Celer, een kortzichtig, heftig en onverzettelijk man, met wien zij een ongelukkig leven doorbracht, tot hij in 59 overleed. Daarna gaf zij zich aan het schandelijkste leven over. Zij was negen jaar ouder dan Catullus. „Unter der vornehmeren Jugend Roms war damals ein bedenklicher Ton der Genussucht und Frivolitat eingerissen. Zechen, Buhlen und Schuldenmachen war guter Ton für die jungen Herren, deren Vater schon unter Sulla's nachsichtiger Heerführung mit asiatischem Luxus und Laster vertraut geworden waren." (Ribbeek).

OP DEN DOOD VAN LESBIA'S MUSCH.

Lugete, o Veneres Cupidinesque, et qiiantum est hominum venustiorum: passer mortuus est meae puellae, passer, deliciae meae puellae,

5 quem plus illa oculis suis amabat; nam mellitus erat suamque norat ipsam tam bene quam puella matrem;

't Metrum van dit zeer beroemde liedje is de phalaecêus of hendecasyllabus naar dit schema: ^ — ^: de eerste voet

is gewoonlijk een spondaeus, somtijds een trochaeus of iambus. — I. Veneres Cupidinesque: de dichter gebruikt het meervoud, omdat hij niet alleen Venus bedoelt, zonder wie „neque fit laetum neque amabile quicquam" (Lucr. [, 23), maar alle goden en godinnen (XagizEi en "Eqcotss) die liefhebben wat schoon is. — 2. venustiorum, gezegd met het oog op de Veneres van vs. 1. „qui vel paululum venustatis sensu simt imbuti." — 7. ipsam: ipse beteekent dikwijls meester, ipsa

Sluiten