Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

excipiet niveos percussae virginis artus. 365 currite ducentes subtegmina, currite, fusi.

nam simul hanc fessis dederit fors copiam Achivis urbis Dardaniae Neptunia solvere vinela, alta Polyxenia madeflent caede sepulcra, quae, velut ancipiti succumbens victima ferro, 370 proiciet truncum summisso poplite corpus.

currite ducentes subtegmina, currite, fusi. quare agite optatos animi coniungite amores. accipiat coniunx felici foedere divam, dedatur cupido iam dudum nupta marito. 375 currite ducentes subtegmina, currite, fusi. non illam nutrix orienti luce revisens liesterno collum poterit circumdare filo. anxia nee mater discordis maesta puellae secubitu caros mittet sperare nepotes.

380 currite ducentes subtegmina, currite, fusi." Talia praefantes quondam felicia Pelei carmina divino cecinere e pectore Parcae. praesentes namque ante domos invisere castas heroum et sese mortali ostendere coetu 385 caelicolae nondum spreta pietate solebant.

saepe piater divum templo in fulgente revisens. annua cum festis venissent sacra diebus,

toe als deel van den buit, op de Trojanen behaald. — 364. virginis, namelijk Polyxena, de dochter van Priamus. Volgens de latere sage namelijk zou Achilles, verliefd geworden op Polyxena, naar de Troianen hebben willen overloopen, in den tempel van Apollo te Thymbra ongewapend verschenen en daar door Paris gedood zijn. De schim van Achilles zon daarop, toen de Grieken terugkeerden, Polyxena als zoenoffer geëischt hebben, waorom deze op het graf van Achilles gedood werd. Ovid. Metara. XIII, 448. — 366. simul, zie vs. 31. — fors = Fortuna, zie vs. 170. — copiam solvere, in plaats van de gewone constructie met het gerundium. — 367. Neptunia vinela, Poseidon en Apollo hadden volgens de sage de muren van Troia gebouwd. — 372. animi, I.. Gr. § 438, A. 2. — 377. heste rno filo, daar volgens een volksbijgeloof een band, die om den hals eener ongehuwde vrouw paste, na haar huwelijk te kort was. — 378. discordis .. puellae, als in onmin levende met haar echtgenoot, en daarom van hem gescheiden. — 383. praesentes, lichamelijk. — ante adv. = antea, aetate heroica. — 384. mortali voor mortalium. — coetu, dativus. — 385. pietate hier ongeveer gelijk religione, vgl. Cic. de nat. deor. 2, 153: „cognitio deorum, ex qua oritur pietas, cui coniuncta est iustitia reliquaeque virtutes." — 386. t emplo in fulgente revisens, ongeveer gelijk templum fulgens revisens. Vooral in de oudere taal komen vele ww. met in en ablat. voor, die anders met de praep. in den accus. geconstrueerd worden. Cato R. R. 157, 45: in naso polypus si introierit. revisere ad. Zie Lucr. II, 359.—

Sluiten