Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

primus ego ingredior puro de fonte sacerdos Itala per Graios orgia ferro choros.

.") dieite, quo pariter carmen tennastis in antro? qnove pede ingressi? quamve bibistis aquam? ah valeat, Phoebum quicumque moratur in armis!

exactus tenui pumiee versus eat, quo me Fama levat terra sublimis, et a me 10 nata coronatis Musa triumphat equis, et mecum in curru parvi vectantur Amores,

scriptorumque meas turba secuta rotas. quid frustra missis in me certatis liabenis? non datur ad Musas currere lata via.

15 multi, Roma, tuas laudes annalibus addent, qui finem imperii Bactra futura canent. sed, quod pace legas, opus hoe de monte sororum

detalit intacta pagina nostra via. mollia, Pegasides, date vestro serta poetae:

zijne waai'de als dichter niet zeer groot is (hij schreef hymnen, epigrammen en elegieën), stond hij bij de Romeinen zeer hoog aangeschreven, zoowel om zijne verbazende geleerdheid als om zijne kunstvolle voordracht. Zijne elegieën vonden vele navolgers. — Philetae: Philetas van Cos was een tijdgenoot van Alexander den Groote; bij de Rorn. lierdichters stond hij door zijne erotische elegieën in hoog aanzien. Beide ook 111, 32, 31 en 32 en IV, 8, 43 en 44 genoemd. Met sacra schijnen hier de Manes bedoeld te zijn. — 2. vest rum nemus, het bosch waarin gij wandeldet en uwe muze u inspireerde, vgl. Horat. Od. III, 4, 6, videar pios („sacros, quos perambulant Musae") errare per lucos. — 3. primus ego: dien lof eigenen meer dichters zich toe: vgl. Lucr. I, 926; Verg. Georg. III, 12; Horat. Od. III, 30, 13. Maml. I, 5. — 4. orgia, vgl. Gat. LXIV, 259, hier worden de geheimen der liefde bedoeld. Te midden van de Grieksche dichters treedt Propertius op om Italische minneliederen te zingen. — 5. tenuastis duidt den gemakkelijken en lichten stijl dezer elegieën aan met een beeld, waarschijnlijk aan het spinnen ontleend, vgl. Hor. Epist. II, 1, 225: tenui deducta poëmata filo, en Cat. LXIV, 311 aanm. Cicero stelt tegenover elkander in zijnen Brutus sive de Claris Oratoribus twee soorten van redenaars, unum attenuate presseque, alterum sublate alteque dicentium. Voor dezen lichten, fijnen en geestigen stijl wil Prop. Callimachus en Philetas tot voorbeelden nemen.— 6. aquam: denk aan de Hippocrene der dichters, uit wier wateren de muzen dronken. Zooals op den Helicon de Hippocrene, zoo was aan den voet van den Parnassus de Castalia, een bron, die ook aan de Muzen en aan Apollo gewijd was. — 7. De samenhang van dit. vers met de vorige is niet duidelijk; waarschijnlijk zijn er eenige verzen vóór vs. 7 verloren gegaan. Kom, weg met hem, die Phoebus (den god des gezangs, Musagëtes) ophoudt onder de wapenen! afgewerkt met het zachte puimsteen ga mijn vers de wereld in; vgl. vs. 38. — 8. pumice, vgl. Cat. XXII, 8. — 17. sororum, der Muzen, vs. 19 Pegasides genoemd, vgl. III, 1,2. — 20. dura corona, als die van een episch dichter in

Sluiten