Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seducta in varias certarunt peotora curas; et quodcumque sagax tentando repperit usus, in commune bonum commentum laeta dederunt.

85 tune et lingua suas accepit barbara leges, et fera diversis exereita frugibus arva, et vagus in caecum penetravit navita pontum, fecit et ignotis itiner commercia terris. tum belli pacisque artes commenta vetustas;

90 semper enim ex aliis alia proseminat usus. nee vulgata canam. linguas didicere volucrum, consultare fibras, et rumpere vocibus angues, sollicitare umbras imumque Acheronta movere, in noctemque dies, in lueem vertere noctes.

95 omnia eonando docilis solertia vicit.

nee prius imposuit rebus finemque manumque, quam eaelum adsoendit ratio, eepitque profundum naturam rerum causis, viditque quod usquam est: nubila eur tanto quaterentur pulsa fragore, 100 hiberna aestiva nix grandine mollior esset, arderent terrae solidusque tremisceret orbis, cur imbres ruerent, ventos quae causa moveret,

de nood drong de bezittingen te bewaken, die men verworven had. — 82. de menschen begaven zich wedijverend de een tot dit, de ander tot een ander werk. — 84. laeta slaat op pectora vs. 82 = homines. — commentum, hunne vinding. — 88. itiner: dezen vorm voor iter vindt men anders slechts bij oude dichters, als Plautus, doch ook Lucr. VI, 339. — 92. fibras, de lever. Om geene alledaagsche dingen te vermelden somt de dichter hier slechts de kunsten der waarzeggers en toovenaars op. — rumpere angues: de slangenbezweerders deden door hunne bezweringen de slangen bersten. Vgl. Verg. Ecl. 8, 71: frigidus in pratis cantando rumpitur anguis, en Ovid. Metam. 7, 203: vi perias rumpo verbis et carmine fauces. In een fragment van Lucilius (vs. 513 bij Lachm.) wordt er eene verklaring van dit bersten aan toegevoegd: „colubras disrumpit cantu, venas cum extenderit omnes." Vgl. Brehms Tierleben, 3r Aufl. 7ter Band pag. 365 vlgg. — 93. sollicitare umbras: schimmen oproepen; vgl. 1 Sam. 28 : 7 vlgg. Medea bij Ovid. „iubeoque. . manes exire sepulcris; vs. 206. — 94. in noctem dies vertere: zoo zegt Medea als toovenares in de boven aangehaalde plaats van Ovidius: „nubila pello nubiloque induco"; vs. 201. — 97. eaelum adscendit ratio cett.: cf. Lucr. I, 70; van Epicurus wordt daar gezegd: olfringere ut arta naturae primus portarum claustra cupiret.. atque omne immensum peragravit mente animoque. — en zich meester maakte van de diepte der natuur door de oorzaken (nl. te leeren kennen) d. i. de geheimen der natuur ontdekte door de oorzaken te leeren kennen; zie vs. 106. — 99. nubila fragore: den donder verklaarde men op verschillende wijzen als een geluid, door de wolken veroorzaakt, Lucr. VI, 96—160. — 101. Vuurspuwende bergen en aardbevingen.

Sluiten