Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaustra vehutit, nutant alte populoque minantur. nam si procubuit qui saxa Ligustica portat axis et eversum fudit super agmina montem, quid superest de corporibus? quis membra, quis ossa 260 invenit? obtritum vulgi perit omne cadaver

more animae. domus interea secura patellas „

iam lavat et bucca foojjlum excitat et sonat unctis /fofïZSU stnglibus et pleno componit lintea guto. liaec inter pueros yarie properantur, at ille 265 iam sedet in ripa taetrumque novicius horret porthmea, nee sperat cenosi gurgitis alnum infelix , nee habet quem porrigat ore trientem.

respice mme alia ae diversa pericula noctis: quod spatium tectis sublimibus, unde cerebrum /

270 testa ferit, quotiens rimosa et curta fenestris vasa cadant, quanto percussum pondere signent et laedant silieem. possis ignavus haberi et subiti casus iuprovidus, ad cenam si intestatus eas; adeo tot fata, quot illa 275 noete patent vigiles te praetereunte fenestrae. ergo optes votumque feras miserabile tecum,

waarmede men bijv. balken vervoerde; wanneer het noodig was voor openbare gebouwen en tempels, die in aanbouw waren, mochten zulke wagens ook over dag door Rome rijden. - 257. Ligustica: in Ligurië (barrara) waren beroemde marmergroeven. — 260. vulgi: naar het lijk van den gemeenen man doet niemand onderzoek. — perit more anima,e: sommige Stoïcijnen leerden: „animam hominis magno pondere exti"1 ti permanere non posse et statim spargi." Sen. Epp. 57, 7. Misschien echter doelt de dichter meer op Hom. Od. 11, 222: wvyb d' fivx ö'veipog anomafxevr] jiejiortjzai. — 261. domus, niet zoo als vs. 10, maar de lamiha, de slaven, pueri vs. 264; zij maken alles gereed voor het diner; voor het diner nam men een bad, van daar 263. striglibus (verkorte vorm): strigil een metalen, krom gebogen instrument met een handvat (zie Rich), dat men gebruikte na het bad om de huid schoon te krabben; liet werd ingewreven met olie (unctis) om schrammen te voorkomen; men had er gewoonlijk zoo eenige strigiles als sleutels op een sleutelring (sonat). — guto: de gut(t)us was een kannetje met nauwen hals, zoodat de olie, die er in bewaard werd, bij druppels er kon uitvloeien; men gebruikte het ook bij het baden. — 264. ille- de meester, heer des huizes, die bij het ongeluk (vs. 257—261) is omgekomen, zit reeds aan den oever van de Styx en beeft voor Charon, den veerman, jiogê/iev;; daar hij niet begraven of verbrand is, kan hij niet hopen in de boot (alnus 266) overgezet te worden en heeft hij ook niet het geldstuk dat hij als veergeld in den mond moet hebben. Vgl. pag l„l vs. 7. — 272. silieem: de straat, het plaveisel. — ignavus niet ia/, maar nalatig, onbedachtzaam. — 275. vigiles fenestrae: de bovenverdiepingen der huizen hadden vensters aan de straat de benedenste met. — vigiles worden ze genoemd, omdat ze gedurende

16*

Sluiten