Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brute, tuum ? facile est barbato imponere regi. nee melior vultu, quainvis ignobilis, ibat 105 Rubrius, oiïensae veteris reus atque tacendae, et tarnen improbior saturam scribente cinaedo.

Montani quoque venter adest abdomine tardus, et matutino sudans Crispinus amomo, quantum vix redolent duo funera; saevior illo 110 Pompeius tenui iugulas aperire susurro, et qui vulturibus servabat viscera Dacis Fuscus, marmorea meditatus proelia villa, et cum mortifero prudens Veiento Catullo, qui numquam visae flagrabat amore puellae,

115 grande et conspicuum nostro quoque tempore monstrum,, caecus adulator dirusque a ponte satelles, dignus Aricinos qui mendicaret ad axes blandaque devexae iactaret basia raedae. £ nemo magis rhombum stupuit: nam plurima dixit 120 in laevom conversus, at illi dextra iacebat belua. sic pugnas Cilicis laudabat et ictus et pegma et pueros inde ad velaria raptos.

wenteling streefde, weg te nemen. — 103. Brute: Brutus stelde ziclir zooals bekend is, als onnoozel aan om aan den haat van Tarquinius t& ontkomen. — barbato: uit den ouden tijd, vgl. pag. 93, vs. 34. — 105. Rubrius: hij had, zooal-i verhaald wordt, verboden omgang gehad met lulia, de dochter van Titus, nicht van Domitianus. — 107. Montanus, een beruchte lekkerbek. - 108. Crisp inus, oorspronkelijk een. slaaf uit Canobus in Aegypte, die onder Domitianus tot groote macht en rijkdom gekomen, zelfs ridder geworden was en tot de naaste omgeving van den tyran behoorde. — matutino: reeds in den morgen ishij geparfumeerd. — 109. funera: ook bij begrafenissen gebruikte men amomum; het werd evenzoo gemengd in de asch der dooden. — 110. Pompeius, overigens onbekend. — aperire hangt af van saevior (vgl. Hor. Epist. I, 45, 30), nog moorddadiger in 't openen van keelen doorzacht gefluister, dat is, als delator wist hij, door Domitianus allerlei in 't oor te tluisteren, de menschen om hals te brengen. — 112. Fuscus, praefectus praetorio onder Domitianus, gevallen in den oorlog tegen de Daciërs. 8G na Chr. — 113. Veiento Catullo: Fabrieius Veientor vgl. III, 185. Catullus, een delator onder Domitianus, „qui luminibus orbatus ingenio saevo nriala caecitatis addiderat; non verebatur, non erubescebat, non iniserebatur", Plin. epist. IV, 22. — 114. Met het oog op zijne blindheid gezegd. — 116. a ponte: een gewone standplaatsder bedelaars. Zooals een bedelaar eenen voorbijganger achterna loopt, zóó doet ook Catullus; van daar satelles. — 117. Aricinos: Aricia lag op een heuvel in Latium aan de drukbezochte via Appia, waar natuurlijk, omdat het er zoo druk was, ook vele bedelaars zich ophielden.— 120. daar Catullus blind was. — 121. Cilicis: Cilix was een gladiator. — 122. pe gma: nfjy/xa, getimmerte, een theatermachine, waarmede men m rnschen plotseling naar boven kon werpen of naar beneden laten

Sluiten