Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier zou vragen, welke gemeenschap met den Geest de goddeloozen hebben, die van God ten eenenmale vervreemd zijn. Want dat er gezegd wordt, dat de Geest Gods alleen woont in de geloovigen, dat moet verstaan worden van den Geest der heiligmaking, door welken wij Gode tot tempelen geheiligd worden. En nogtans, desniettegenstaande, vervult, beweegt en sterkt hij alle ding door de kracht zijns Geestes, en dat naar de eigenaardigheid van iedere soort, die hij haar door de wet der schepping heeft toegedeeld. Indien ons de Heere door den arbeid en dienst der ongeloovigen heeft willen helpen in de natuurkunde, de wiskunde en in de overige wetenschappen van dien aard, zoo laat ons dien arbeid gebruiken, opdat wij niet, indien wij Gods gaven in deze mannen aangeboden, niet achten, gestraft worden zooals onze achteloosheid verdient."

De logos van den gevallen mensch gaat echter niet uitsluitend op in het onderzoek der natuurlijke dingen. Integendeel, ook nu nog, zooals Calvijn zegt, „verstaat de mensch, dat hij geboren is om gerechtigheid te oefenen, waarin het zaad der religie besloten is." *) Ook nu nog ligt het in den aard van den logos uit te gaan naar de gemeenschap met God, „om den Heere te zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, hoewel hij niet verre is van een iegelijk van ons", zooals Paulus zegt tot de Atheners." 2)

,,En voorwaar, dus gaat Calvijn voort, 3) de mensch zoude van het voornaamste gebruik en genot zijns ver stands beroofd zijn, indien hij geen kennis had van zijne eigene gelukzaligheid, welker volmaaktheid in de gemeenschap met God

Dei in solis fidelibus habitare, id intelligendum de spiritu sanctificationls, per quem Deo ipsi in templa oonsecramur. Neque tarnen ideo minus replet, movet, vegetat omnia eius/dem spiritus virtute, idque secundum uniuscuiusque generis proprietatem, quam ei creationis lege attribuit. Quod si nos Dominus impiorum opera et ministerie, in physicis, dialecticis, mathematicis et reliquis id genus voluit adiutos, ea utamur; ne si Dei dona ultro in ipsis oblata negligamus, demus iustas ignaviae nostrae poenas."

i) Instit. 1, 15. 6: „quod se ad colendam iustitiam natos esse intelligunt in quo inclusum est religionis scmen."

s) Handel. 17 : 27.

3) Instit. 1. 15. 6: „Et sane praecipuo intelligentiae usu careret homo, si sua eum lateret felicitas; cuius perfectio est cum Deo coniunctum esse. Unde et praecipua animae actio est ut illuc aspiret. Ac proinde, quo quisque magis ad Deum accedere studet eo se probat ratione esse praeditum."

Sluiten