Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jschen is toegepast: de schriftelijke overlevering. Al onze handschriften wemelen van "Fouten, interpolaties en vervalschingen; eene massa zijn onecht en ondergeschoven; de afschrijvers waren achtelooze sufferds, onbeschrijfelijk dom, of geslepen bedriegers; deze en dergelijke uitspraken ontmoet men telkens in verschillende variatiën.l) Veel in deze uitdrukkingen moet zeker als rhetorische hyperbole opgevat en aan de prikkelbaarheid der philologen worden toegeschreven, maar helaas ook in de praktijk gaan velen van dezelfde beschouwing uit, zoodat de diepst ingrijpende veranderingen hun geoorloofd schijnen en ook de veelvoudigste autoriteit der overlevering de echtheid van een geschrift niet boven hunnen twijfel verheft.

Zullen we daar nu tegenover stellen eene overlevering geheel ongeschonden en vrij van alle fouten en dwalingen? Om de waarheid te zeggen, M. H., ik geloof niet dat er iemand bestaat, onder hen met wie een philoloog disputeert, die zulk eene absoiluut zuivere overlevering aanneemt; hij zal wel het product van ' de scheppende fantasie van een criticus zijn.2) De philologische kritiek behoeft haar recht van bestaan niet te bepleiten; slechts daarvoor heeft ze te waken, dat ze niet zelf, door meer te willen dan zij kan, door te heerschen buiten haar eigen gebied, in opgeblazenheid vervalle, zich van haar rechtmatigen invloed beroove. Ze moet bescheiden leeren zijn en niet de rol van schrijver willen vervullen, terwijl ze slechts corrector is, ze mag alleen de fouten verbeteren, die de zetter gemaakt heeft.

We gaan~dus om de overlevering té leeren kennen niet af op den indruk, dien de critici, uit overdreven ijver voor hunne taak,

1) Pierson en Naber, Verisimilia. Amstelodami 1886. Pag. 265: „Veterum incuria plane incredibilis fuit." Coibet, Variae Lectiones pag. XXIII: „Nullus enim superest liber Ms. quantumvis antiquus et integer, qui non sit passim ét vitiosis scripturis commaculatus ét lacunis hians ét alienis additamentis interpolatus: optimus ille est qui minimis urgetur." Pag. XXIV: „Sunt igitur, inquam, plerique omnes Codices Mss. Graeci nulli rei utiles et contemnendi." Pag. XXXI: „Nihil est ihis hominibus lutilius" (correctoribus scil.). Pag. XXXII: „(Codices nobilissimi) omnes quum mendis erroribusque scateant, 'nient lacunis, et futilibus sciolorum additamentis interpolati sint, quales tandem reliquos esse censeainus?"

2) Cobet o.l. pa(g. XXIII: „Operam dedi ut omnibus modis eorum refutarem ineptam opinionem et fere superstitionem, qui vetustissimos libros, membranas veterrimas, venerandas antiquissimae aetatis reliquias, inepti credunt aut integerrimos esse et emendatissimos, aut adeo omni vitio et errore vacuos."

Sluiten