Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovendien lichter naar goede exemplaren werden verbeterd. Het is niemand minder dan Madvig die deze stelling verdedigt.1)

1) Madvig. Adversaria critica pag. 14: „Itaque quamquam in libris multam lectitatis saepe describendo multiplicatur errorum occasio (nain in unoquoque exemplo novi committuntur eTrores), tarnen, quod fere ob oculos describentibus fuerunt exeimpla non multo antiquiora et ad lagendum facilia, non poterat tanta oriri confusio et verborum sententiarumque, ut ita dicaim, peremptio, quanta in eo opere, cuius a paucis lecti et lere ignorati antiquum aliquod exemplum, plurium seculorum, ex angulo aliquo protractum scriba reddere conaretur."

Zoo spreekt een der grootste philologen na veertigjarige studie. Lees nu daartegenover wat v. d. Sande Bakhuyzen schrijft (pag. 74): „(wij houden) ons aan de vrij wat zekerder stelling, dat juist de boeken, die niet als letterkundige voortbrengselen maar als middefen tot stichting wenden beschouwd en daarom het menigvuldigst werden afgeschreven, het meest hebben geleden. Holwerda, die ditzelfde onderwerp bespreekt, wijst op den codex Mediceus van Aeschylus; het zij mij vergund er een ander voorbeeld bij te voegen. De tekst der blijspelen van Aristophanes berust hoofdzakelijk op de getuigenis van één handschrift, den bekenden codex Ravennas uit de 11e eeuw. Toch zou het bewijs wel te leveren zijn, dat de tekst van Aristophanes zuiverder bewaard is dan die van het N. T., die in honderden handschriften overgeleverd is."

Ik zou wel gaarne dat bewijs eens geleverd zien; vooral naar de methode bij dat bewijs te volgen ben ik zeer benieuwtd.

Laat ons in afwachting eerst eens de logica in het betoog van Dr. v. d. S. B. opsporen. De stelling is: ,<de boeken, die het menigvuldigst werden afgeschreven, hebben het meest geleden." (De woorden: „niet als letterkundige voortbrengselen maar als middelen tot stichting laat ik met opzet weg, daar zit geen juiste tegenstelling in; letterkundige voortbrengselen als de gedichten van Cats, of Bunyan's Christenreize, of Beets' Stichtelijke Uren zijn stichtelijk en worden veel gelezen; Zolas romans zijn letterkundige voortbrengselen, zijn onstichtelijk en worden veel gelezen; de romans van Dickens zijn letterkundige voortbrengselen, zijn noch stichtend, noch ontstichtend en worden veel gelezen, maar niemand, tenzij hij van letterkunde studie maakt, en dat zijn er nooit velen geweest, leest een boek omdat het „een letterkundig voortbrengsel" is.) Deze stelling nu zal bewezen worden door te wijzen op twee codices op welke hoofdzakelijk de tekst van twee schrijvers berust en die dien tekst vrij zuiver hebben overgeleverdDie logica vat ik niet. Uit die twee voorbeelden volgt niets meer dan dat, ook waar de overlevering uit één of weinige codices bestaat, zij vrij zuiver kan zijn.

De redeneering is echter volkomen juist dat, waar er van een geschrift vele onderling onafhankelijke codices zijn, (en Dr. v. d. S. B. ontkent immers niet, dat er vioor het N. T. vele onafhankelijke codices bestaan?) de overlevering zuiverder is, dan wanneer de meeste van die onafhankelijke codices waren verloren gegaan en er maar één of twee waren overgebleven.

Sluiten