Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En eindelijk, om nu niet te lang bij dit punt stil te staan, wil ik in de vierde plaats nog opmerken, dat het toch de natuurlijkste onderstelling is aan te nemen dat de afschrijvers, wetende dat zij geschriften van hooge waarde copieerden en dat met het doel, opdat hunne afschriften als gelijkluidende met het origineel zouj den worden gelezen, in den regel met opmerkzaamheid zullen I gewerkt hebben. Trouwens zij werden tot nauwkeurig afschrijven,] door hunne leeraars en opzieners ernstig aangemaand. Zoo besluit de kerkvader Irenaeus, in het einde der tweede eeuw n. Chr. een zijner geschriften met deze woorden: „Ik bezweer U, die dit boek zult overschrijven bij onzen Heere Jezus Christus en bij Zijne wederkomst in heerlijkheid, wanneer Hij komt om te oordeelen de levenden en de dooden, dat gij vergelijkt wat gij overgeschreven hebt en het zorgvuldig verbetert naar dit exemplaar, waar gij van afgeschreven hebt, en gij zult dezen eed evenzoo afschrijven en in uw afschrift opnemen." *)

Zoo werd er aangedrongen op nauwkeurig afschrijven. En waar dan de aTschrijvers ook tot de ongeleerden en ongeoefenden behoorden, daar was het gevaar des te geringer om onjuist af te schrijven. Zij die het Woord der prediking van God van de apostelen ontvangen en aangenomen hadden, niet als der menschen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord *) en die uit het boek der openbaring van Johannes de waarschuwing kenden: „want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal over hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens", zij moesten wel trachten nauwkeurig af te schrijven;

Welk philoloog zou niet gaarne willen dat er naast den Mediceus en den Ravennas nog vele andere onafhankelijke codices bestonden? Zouden niet daardoor de fouten van den Mediceus en den Ravennas met des te meer zekerheid kenbaar worden?

) Wattenbach o. 1. pag. 268: ,,'Oqmlloi m rüv /tiraypaifó/ifrov rö ptjlk/ov rovro xara tov xvpiov tj/iai» 'IjjffotS XqiOtov xai xara rijs ivtfóêov napoixrfas aitob, ijs tQXirtu KQivai Smvzas xai vtxpoiSs, ">a avriftaXm o /uztyed<p<ü, xai xatopfrütfjjj avto jrpös tó anlygacpov toCto, ö»tv /iitiyQa,po>, inc/uka>s* xai röv Öqxov rovrov ófioicu? /nraypd<l'etg, xai «*>\Of/iv Tirj avrtygacpw. Euseb. Hist. Eccles. V, 20.

Holtzmann, Einl. pag. 30: „Seither wurde der Buohstabe des Textes angstlidh bewacht, wie sohon Irenaeus und Tertullian den Beweis liefern" ') 1 Thess. 2 : 13.

5

Sluiten