Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, dat woord van Catullus werd onlangs door een philoloog van naam terecht op de kritiek der overlevering toegepast.')

Ook wat de verwijdering van interpolaties betreft moet met dezelfde nauwgezetheid worden gehandeld. Terecht zeide Kirchhoff: „Ich muss aber bei der Ansicht beharren, dass Stellen irgend welchen Textes für Interpolationen zu erklaren ohne Veranlassung und Zweck angeben zu können ein durchaus unwissenschaftliches Verfahren ist." 2) Aan te wijzen, dat iets eene interpolatie kan zijn, beteekent natuurlijk niets; den schijn van interpolaties hebben tallooze plaatsen in iederen schrijver, ouden zoowel als nieuwen. Neen het bewijs moet geleverd worden, dat de verdachte plaats werkelijk eene interpolatie is. Het subjectieve gevoel van den rechter kan zeer wel juist zijn, maar waar hij geen bewijs heeft van schuld, daar spreekt hij het non liquet uit. Zoo betaamt het ook den philoloog; waar hij vermoedt, maar niet zeker weet, daar moet hij het oordeel opschorten.

Men moet geene quaesties willen forceer en;3) het streven om alles te willen weten, maakt dikwijls, dat men zich met een onzeker weten, dat is geen weten, tevreden stelt. En eindelijk wat het onderzoek van echtheid of onechtheid van geschriften aangaat, ook daarbij moet van hetzelfde beginsel worden uitgegaan. Al de bewijslast rust op hem, die ontkent. Bewijs van echtheid behoeft niet geleverd te worden, waar de overlevering eenstemmig is. Waar zij niet eenstemmig is, doordien reeds getuigen uit de oudheid twijfelden, daar moet natuurlijk de aard en het gewicht der getuigenissen worden onderzocht en gewogen, want ook bij de ouden werd weieens lichtvaardig kritiek geoefend op zoogenaamde innerlijke gronden en met deze komt men in den regel niet ver. Natuurlijk, zijn er in een geschrift werkelijke historische tegenstrijdigheden, die niet hermeneutisch kunnen worden verklaard, noch ook op goede gronden als interpolaties verwijderd, dan wordt twijfel aan de echtheid geoorloofd.

Maar welke gevallen zijn er van dien aard, waarin niet tevens het getuigenis der ouden reeds heeft gesproken en dus uitwendige gronden voor twijfel aanwezig zijn?

') Verisimilia van Naber en Pierson pag. 276.

2) Kirchlhoff Odyssee3 pag. 590.

s) Terecht schreef Wellhausen onlangs: „Conjecturen sind eben Einfalle, die man nicht commandieren kann, ausser in sehr einfachen Fallen". Deutsche Litteraturzeitung 2 Oct. 1886.

Sluiten