Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handelt Cicero in de eerste plaats over de zaken van het gemeenebest, dan over zijne private zaken, dan over eene grammatische quaestie, verder over Caesar, eindelijk over zijn schoonzoon. Het eene deel heeft met het andere letterlijk niets uit te staan. En de overgangen tusschen deze deelen? Eene algemeene aankondiging van den inhoud gaat niet vooral; van punt 1 tot punt 2 is de overgang: ,,nunc venio ad privata"; van punt 2 tot punt 3: „venio ad Piraeea"; punt 4 begint met een „ille", welks antecedent ontbreekt, maar door den geadresseerde gemakkelijk begrepen werd; van punt 4 tot punt 5 is de overgang: „Quid superest? etiam: gener est suavis mihi". — Van verband schijnt dus geen sprake te zijn. En toch is er verband, omdat de brief slaat op zaken en omstandigheden in een brief van Atticus, dien wij niet bezitten, vermeld. Pas nu echter de critische methode van Pierson en Naber toe en ge kunt den brief of stukken ervan zeer gemakkelijk voor onecht verklaren.

Maar ook, waar het geen brief gold, zou zulk eene argumentatie nog onwetenschappelijk zijn, want lo. zou moeten worden bewezen, dat de schrijver zoo niet had kunnen schrijven, en 2o. zou moeten worden aangetoond naar aanleiding waarvan en met welke bedoeling de interpolator dit stuk daar had geïnterpoleerd.

Op gevaar af van te veel te willen bewijzen ga ik nu nog aantoonen, dat zelfs de stelling dat hier geen verband bestaat, onhoudbaar is.

Nadat Paulus de gemeente te Thessalonica gesticht had, was hij wegens een tumult, door de ongeloovige Joden verwekt, genoodzaakt te vluchten (Hand. XVII). Kort daarna had hij willen terugkeeren, maar was daarin verhinderd (I Thess. II : 17 en 18) en had daarom Timotheus tot hen gezonden om hen te versterken en te vermanen (III : 2). Deze, teruggekeerd, had eene goede boodschap gebracht van hun geloof en liefde. Nochtans verlangde de Apostel dag aan dag zeer om de gemeente, die hij met een vaderlijke liefde beminde terug te zien en te volmaken hetgeen aan hun geloof ontbrak (III : 3—10). Hij bidt ondertusschen dat de Heere zelf hen overvloedig make in de liefde jegens elkander en onberispelijk in heiligmaking in (tegen) de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al zijne heiligen (III : 12 en 13). In hoofdstuk IV : 1-12 geeft hij dan vermaningen, betrekking hebbende op hunne heiligmaking, om vervolgens, van vs. 13 af, te spreken over de toekomst van den Heere Jezus Christus en

Sluiten