Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reëele wereld zelf. Zijne ziel wordt door de dingen en de gebeurtenissen, t zij ze vóór hem staan of uit de historische herinnering voor hem treden, zóó aangegrepen, dat hij terstond het wezenlijke gevoelt en het, onbewust, omzet in een ideaal.

Het is door die zienersgave van den dichter, dat de poëzie dikwijls, zooals Aristoteles zegt,*) hooger staat dan de historie, de dichter laat het toevallige ter zijde en ziet terstond het wezenlijke. Daaruit volgt het groote verschil in de wijze van uitdrukking en voorstelling tusschen den man van wetenschap en den dichter. Gene betoogt en redeneert, schakel aan schakel aansluitende, tot de keten af is, terwijl deze, waar hij de idee in hare schoonheid aanschouwt en zijn gevoel, zijne emotie, in woorden uitdrukt, alle middelen gebruikt om klaar te doen aanschouwen en innig te doen gevoelen.

Is deze opvatting van de gave des dichters juist, dan blijkt, hoever Plato, door zijne dialectiek misleid, van de waarheid afdwaalde, toen hij beweerde dat de dichter, in tegenstelling met den wijsgeer, slechts de afzonderlijke dingen aanschouwt en daarom, zonder inspiratie, niet hooger opklimt dan tot eene meening, de waarheid der wetenschap niet bereikt; terwijl hij, geïnspireerd, wel hooger opklimt en het wezen der dingen doorziet, maar niet met bewustzijn, daar hij dan in een toestand van exstase verkeert, als een razende.

Plato onderscheidt niet voldoende begrippen en ideeën. De aangrijpend schoone plaats uit den Phaedrus, waar hij in een mythus leert, dat de menschenziel vóór haar intreden in deze zinnelijke wereld, als reine ziel, de eeuwige ideeën in al haren hemelschen glans heeft aanschouwd en de kennis, die de ziel in dit aardsche leven heeft, slechts als eene zwakke herinnering opvat van wat zij eenmaal in den hemel heeft gezien, past veel beter op het doen van den dichter dan op het denken van den man van wetenschap.

Naar waarheid zingt da Costa:

0 poëzy! o troost mijns levens!

gij, moeder van het zichtbre schoon en waarheidsleeraresse tevens!8)

Is zij echter „waarheidsleeraresse", dan is niet volledig en

') P. 1451b, cap. 9 § 2 en 3.

7) II pag. 181.

Sluiten