Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en in eene woeste, huilende wildernis;

Hi? voerde hem rondom, Hij onderwees hem,

Hij bewaarde hem als zijn oogappel.

Gelijk een arend zijn nest opwekt,

over zijne jongen zweeft,

zijne vleugelen uitbreidt,

ze neemt en ze draagt op zijne vlerken:

zóó leidde hem de Heere alleen,

en er was geen vreemd God met Hem."')

De gave des dichters is niet als een gereed liggend kapitaal, waarvan hij gebruiken kan, wanneer het belieft en zooveel het hem lust. Zij ligt diep in het wezen zijner ziel gegrond, maar buiten de macht van den wil. Die diepte van zijne ziel moet zich ontsluiten, zal de potentieele gave actueel worden. Hoe dat geschiedt, is voor den dichter zelf dikwijls een raadsel. Gij kent da Costa's voorzang voor zijn „Vijf en twintig jaren":

„Kan het zijn dat de lier, die sints lang niet meer ruischte, die sints lang tot geen harten in dichtmuzijk sprak,

weer op eens van verrukking en hemellust bruischte,

en in stroomende golven het stilzwijgen brak?"2)

Somtijds is het eene gebeurtenis, die den dichter treft, diep ingaande in zijne ziel, dan een enkele lichtstraal, doorbrekende door donkere wolken, of ook eene stemming, die langzaam over hem komt. Maar altoos gevoelt hij die ontsluiting als iets dat, van zijnen wil onafhankelijk, hem aangrijpt, als eenen geest, die over hem macht krijgt. Dat is het, wat de Griek bedoelt met zijn ëv&eog, en analoog daarmede is wat de H. Schrift uitdrukt, wanneer zij zegt, dat de Geest rust op iemand, of vaardig wordt over hem, zoodat hij profeteert. Een Nederlandsch dichter van onzen tijd drukt zich aldus uit: „De heusche maker van poëzie zijn niet wij zelf, maar dat onbekende wezen, diep in ons binnenste, dat de ouden den bezielenden God hebben genoemd"3).

Plato overdrijft ook hier weer, wanneer hij zegt, dat de dichter zittende op den drievoet der Muze, niet bij zinnen is, maar

') Deuter. 32 ; 9—12.

2) Deel III, pag. 40.

3) Kloos, Veertien jaren II, 59.

Sluiten