Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

individueele zijnswijze. De activiteit, de relativiteit van het concrete, het besef van het ontoereikende en de behoefte aan meer adaequate uitdrukking zijn kenmerkend voor de kinderteekeningen in de ontwikkeling van kleuter tot puber. Het kinderteekenen is een kinderlijke beleving, die waarde heeft voor de vorming als mensch De kinderteekening is niet zoozeer een psychomotorisch product als gevolg van een beleving, maar het kind bedient zich van deze uitdrukkingswijze, om zijn beleven gestalte te geven. Motoriek en innerlijk leven zijn innig verbonden.

De activiteit, het functioneel gebeuren is het belangrijke. Vóór het 7e jaar gaat het kind in het bijzonder op in de beleving, in de schoonheid en de concreetheid ervan. Zoodoende spreekt de kinderteekening ons van het kind, maar eenmaal geproduceerd heeft ze geen blijvende waarde. De kinderteekening representeert die vóór het 5e jaar ook niet voor het kind zelf. Ze is als de cocon, waar de beleving aan ontvlood, en die als praestatie geen waarde heeft. De innige binding als eigen creatie lost zich snel op. Kinderen stellen ook geen belang in eikaars teekeningen. Het huisje is zoo subjectief, dat het voor geen ander kind waarde heeft: de eigen beleving scheidde den cocon af en deze omsluit nimmer die van een ander subject. Eerst als het motorische en affectieve moment geringer wordt, kan de teekening als praestatie waarde krijgen voor het kind zelf.

Bij het 5- en 6-jarig kind staat het motorische element al meer op den achtergrond. Het product begint waarde te krijgen. Zelfs de negatieve uitingen, die wij herhaaldelijk kunnen opvangen: „Dat is niets", „dat is een prul", zijn aanwijzing daarvoor. Het kind drukt ermee uit, dat de teekening als product hem nog weinig zegt, dat ze niet uitdrukt, wat zij bedoelde uit te drukken.

Met het 7e jaar is het teekenen een intentioneele uiting geworden en draagt het product geheel het „Darstellungscharakter". Functie en product hebben een eigen plaats

Sluiten