Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets anders uitbeeldt, geeft daarmee naast en in die schildering een stuk innerlijk leven, dat in dit gezicht wordt uitgebeeld: wanneer Breitner Amsterdam schildert, heeft het onderwerp slechts in zóóverre voor hem belang, als het middel is, om uit te drukken, wat hij beleeft1). De pas gevallen sneeuw achter het grijze rhythme van oude, verweerde geveltoppen, de afgetobde trampaarden, de weemoedige belichting van nat plaveisel wijzen op een heimwee naar het tijd- en ruimtelooze, het ontastbare in het wezen van al het zijn. Dit geldt van iedere menschelijke verschijning, zijn lichamelijken bouw en zijn gedrag; we kunnen die reduceeren tot wat lengtematen en spierbewegingen, maar ze zijn tevens onder een bepaald aspect de uitbeelding van het geestelijk leven, de drager, van wat ons beweegt.

Wanneer de medicus-psycholoog zich beweegt op het terrein van het lichamelijke en de psychomotoriek, of wat door handelen tot stand kwam, dan geschiedt dat niet alleen om het lichamelijke of het tot stand gekomen product als zoodanig, maar om daarin tevens het geestelijke zelf te grijpen. Niet omdat hij verwacht zoodoende het raadsel van de psychophysische verbanden op te lossen. Hoe het innerlijk leven al die lichamelijke vormen en reacties voortbrengt, weten wij niet, evenmin als wij kunnen zeggen, hoe de wil het doet, wanneer wij onze hand openen of sluiten. Het is, gelijk Gaupp het eens uitdrukte, het algemeen bezit van ons denken sedert de dagen van DüBOIS—Reymond, dat wij het wezen van het verband tusschen lichaam en geest nooit zullen verklaren. Wij kunnen de mogelijkheden en omvang ervan nagaan, de practische bruikbaarheid van de correlaties bestudeeren, het bestaan van dat verband boven allen twijfel verheffen, gelijk in het hierboven vermelde is geschied, het wezen van. het verband tusschen lichaam en geest blijft ons immer een raadsel.

i) Naar een beschrijving van C. W. H. BAARD.

Sluiten