Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lodewyk van Nassauw, de broeder des Prinsen van Oranje, insgelyks met een groot getal Edelmannen; de Graave van den Berg en Kuilenberg kwamen wat later 1). Hier was't dat Brederoode hen al te zamen byeen geroepen hebbende, nogmaals de schrikkelykheid der Inquisitie met haar Landverderffelyk gevolg, op 't levendigst voor oogen stelde, hen met een vermanende 't verbond dat zy uit nood hadden aangegaan, getrouwelyk te handhaven, daar elk om 't zeerst op uitriep. Hy zal voor een verrader gehouden worden, die in gebreken blyft 2).

Op den vyfden gehoor verzogt en verkregen hebbende, trad deeze sleep van Edelen die in getale tusschen de drie en vierhondert sterk vvaaren, in gelederen van vieren met eene statelyke deftigheid ten Hove, voorgegaan door den Heer van Brederoode, en de Graave Lodewyk van Nassauw. Tot de Landvoogdesse, die van de aanzienlykste Heeren verzelt was, genadert zynde, voegde zig Brederoode met eene eerbiedige buiging voorwaarts, en reikte na een sierlyke Aanspraak tot de Landvoogdesse, uit aller naam 't verzoekschrift over, waar in ze hunne trouwe voor den Koning betuigden, biddende by zyne Majesteit te weeg te brengen, de schorzinge der Inquisitie, en verzagting der Plakaaten tegen den Godsdienst 8). 't Bescheid, welk de Landvoogdesse op dit verzoekschift gaf, behelsde dat zy zeer geneegen was een bezending aan den Koning tot verzagting der Plakaaten te doen, en ondertusschen de Inquisiteur en Amptluiden van 't Geregt wilde aanschryven, dat zy zig in 't oeffenen van hun gezag met alle bescheidentheid zouden hebben te gedragen. d'Edelen met dit bescheid maar matelijk te vreeden zynde, hielden sterk aan om eene klaarder toezegging. Dus

1) Strada, de Bello Belg Dec. I. Lib. V. pag. IS2. mieteren. II Boek bl. 41. Bor, II. Boek, bl. 58. [41].

2) Strada, Dec. I. Lib. \. pag. 183. Brand, Hist. der Ref. I. Deel, VI. Boek, bl. 294.

3) Bor, II. Boek, bl. 58. [41]. Strada, de Bello Be^g. Lib. V. p&g. 184. & seqq

Sluiten