Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wierd hun, want men vreesde deeze Edelen onvergenoegt te laaten scheiden, van eenige Heeren door last of ten minsten door toelating, van de Landvoogde belooft, dat men voortaan tegens niemand in 't stuk van Godsdienst zou aangaan, tot dat zyn Majesteit ten overstaan van 's Lands Staaten andere orde zou hebben gestelt 1).

Daar op schikten zig de Bondgenooten tot scheiden, dog eer zy vertrokken, wierd hun de naam van Geux aangehangen; welk Fransch woord, gesmeed zynde naar het Nederlandsche Guits, zo veel beteekent als Fielen , Landloopers, of Bedelaars. Men wil dat de Heer van Barlaimont hen allereerst deezen scheldnaam aangewreeven heeft, zeggende tegen de Landvoogdesse, als zy hen ten Hove zag komen, om deeze flauwmoedige Vrouw te verkwikken; Mevrouw wat meugt gy voor die Geuzen vreezen, of gelyk andere verhaalen: ziet daar een hoop fraaije Geuzen 2). Zommige verhaalen dat 'er onder de verbonden Edelen veelen waaren die hun meeste goederen verkwist of verloren hebbende, een bedroefd leven leiden. En die men na gaf, dat zy na verandering jookten , om by dezelve haar fortuin te maken 3). Wat 'er van zy, deeze naam wierd van de Bondgenoten niet verworpen, maar verstrekte zedert den genen, die de vryheid des Vaderlands en des Gelooft zogten de hand te bieden, tot een gemeen kenteken. Men groette malkander op plaatzen en tyden van blydschap, met het roepen van vive le Geux; dat is, lang leven de Geuzen. Men hing Medalien eerst van wasch of houd, daar na van goudt of zilver om den hals, daar ter eene zijde opstond 's Konings Beeltenis, en ter andere zyde een Bedelaars zak , gevat van twee zaamgevoegde Handen: met deeze woorden: Den Koning getrouw tot den Bedelzak toe. Zommige hegten op de zyde des borst of aan den hoedt, een houten Bedelnapken

1) Hooft, II. Boek, bl. 78. Weesenb. bl. 84. Bor, II. Boek, bl. 60. [43].

2) Strada, Dez. I. de Bello Belg. Lib. V, pag. 186. & seqq. Bor, II. Boek. bl. 61 [43].

3) Ileid, I. Boek, bl. 1, 2.

Sluiten