Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van gelaat en woorden 1). Teil bleef daar niet by. Gomarus voegde by zyn vorig zeggen, «dat uit dat geschil, zo zulks «by tyds niet werdt verhindert, zoude ontstaan, dat Pro«viutie tegens Provintie, Stad tegens Stad, Kerk tegens «Kerk, en Burger tegens Burger zou opstaan 2) » Arminius gat in deezen tjrd niet anders tot andwoord, dan «dat hy <zig van zodanig kwaad gevoelen in de Religie niet bewust «was; gelyk zyn Medeprofessor daar hadde verklaart: dat «hy zig altyd aan de Konfessie had gehouden, en nog «voortaan wilde houden: dat hy wel zointyds ter nood iet «aad gesproken tegen de byzondere gevoelens van eenige «Leeiaars; maar nooit tegen dat schrift of gemeen gevoelen «der Kerken.» Voorts, «dat hij vertrouwdde, dat hy nim«niermeer oorzaak van scheuring in Gods Kerk, of in het «\aderland. zou weezen, en bereid was zyn gevoelen en «bedenken in 't stuk van Religie, rondelyk te openbaren, «wanneer hem zulks door de Heeren Staaten zou werden geboden 3).» Na die zamenspraak, zweeg men niet. Elks gevoelen drong door. En dat van Gomarus als by de Kerk aangenomen, behaagde meest alle de Predikanten; maar dat van Arminius, meest alle de Magistraten, die 't met s Lands Advokaat van Oldenbarneveld eens waaren. Egter scheen men te deezer tyd, de zaaken van Arminius te mistrouwen. Hugo de Groot, toen Advokaat Fiskaal van Holland, Zeeland, en Westfriesland, verhaalt in zeekeren brief, door Andreas Rivet in 't ligt gebragt, «dat hy in deeze «dagen Gomarus vrolyker, en Uitenbogaard, droeviger vondt, «dan na gewoonte.» Ook zegt hy in 't slot: Ik verwagt geen andere uitkomst voor Arminius en zyne zaaken, dan die van Kastellio, die men door al te grooten geweld zyner partyen zo ver heeft gebragt, dat hy anders een geleert en

1) H. Grot, Epist. ad N. E. qua; extat in Riveti Oper. Tom. III. pag. 974.

2) Sinod. Handel, te Dordr. in de Voorr.

3) Uitenbogaard, III. Deel, bl. 442.

Sluiten