Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hy als Zoone Gods van den Vader opentlijk erkent ende verklaart zouden worden. Dit heeft ook de Vader gedaan door zyn geboorte, door den Engel tot Maria, Luc. 1 : 35. plegtig, doe hy van Johannes gedoopt werdt inde Jordaan, Matth. 3 : 17. glansrijk by zyne verheerlijkinge op den berg, Matth. 17 : 3. kragtig by zyne opstandinge uit den dooden, Rom. 1 : 4.

2. Uit Spreuk. 8 : 22, 24 , 30. De Heere bezat my in 't beginsel zynes wegs, voor zyne werken, van doe aan. Ik was gebooren als de afgronden nog niet waren: als nog geen fonteinen waaren, zwaar van water: ja eer de bergen ingevestigt waren: voor de heuvelen was ik gebooren. Doe was ik een Voesterling by hem, ende ik was dagelyks zyne vermakingen: t' aller tyd voor zyn aangezigt speelende. De spreeker is hier niet de deugd der wysheid, als een Persoon verbeeld. Dit is de misvatting van Socinianen, Arriauen, en andere, maar Jesus Christus de kragt Gods en de Wysheid Gods, 1 Cor. 1 : 24. de Selfstandige Wysheid, door wiens bestellinge de Koningen regeeren, en de Vorsten der Aarde geregtigheid stellen, 't Geen hy nu van hem zeiven getuigd . sluit dadelijk zyne Eeuwige geboorte van den Vader in. Hier toe leid ons de spreekwyze. De Heere BEZAT my, enz. Want slaan wy het oog op het woord in den Grondtext dat beduid iets door zyn eigen moeite en arbeid verkrygen, als het zyne, en verkreegen hebbende, met vollen regt bezitten, en word dieshalven cierlijk gebruikt dan iets verkrygen door geboorte. Zo zeide Eva met dit woord by het baaren van Kain, haaren eersten Zoone, Gen. 4 : 1. Ik hebbe eenen man van den Heere verkreegen. Dit bevestigen de woorden, ik was GEBOOREN als de afgronden nog niet waaren, enz. Want waarlijk heeft dit woord de betee-

kenisse van gebooren te worden, en is in deezen zo kragtig en nadrukkelijk, als de Hebreeuwsche taal geen nadrukkelijker opgeeft. Doch wy zeggen hier minder van om de eerbied voor de Persoon, die 't word toegepast. Hier toe dringt ons de spreekwyze, doe was ik een VOESTERLING by hem, enz. Nademaal pon Amon door Voesterling vertolkt, zoodanig een teedere Zuigeling en Voester-Zoone beduid , die noch in den schoot gedraagen werdt, Num. 11 : 12. Hebbe ik dan al dit volk ontfangen ? heb ik het gebaart? dat gy zoudt tot my zeggen, draagt het in uwen schoot, gelyk als een Voester-Vader den Zoogeling draagt. Alles om ons

Sluiten