Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meest frappeeren.de daaronder is ongetwijfeld, dat ze eveneens moet hebben aangeknoopt aan een altaar van onbekende goden. Dit wordt op de genoemde plaatsen wel is waar niet gezegd, maar valt met zekerheid af te leiden uit P h i 1 o s t r. VI 3, waar de slotwoorden van hetgeen Apollonius volgens D am i s bij eene vaart op den Nijl naar aanleiding van zijne ontmoeting met een jongen man uit Naukratis, die door zijne stiefmoeder werd lastig gevallen en daarom had moeten vluchten, betoogt: a-u^povècTspov yxp to 7rep) irxvruv d'süv eiï Aéysiv, y.xi txvtx 'A$yiv>i<7tv, ov y.x) xyvclittuv 'êxtpóvav (3ccf/,o) i"Spvvrxi, in het geheel niet passen en blijkbaar ergens elders vandaan ingevoegd zijn — gelijk N o r d e n aannemelijk tracht te maken, uit het geschrift rif/» Srviriüv, d. i. uit de hxXe^ic in Athene, waar ze aan het begin moeten hebben gestaan. Daarmede wordt echter de overeenstemming tusschen deze en de rede op den Areopagus zóó groot, dat ze niet meer toevallig zijn kan: de auteur der rede, d. i. de redactor der Acta, moet of het geschrift van Apollonius zelf óf een nauwkeurig excerpt daaruit hebben gekend en heeft er een hoofdmotief aan ontleend. Staat dit echter vast, dan mag men nog een stap verder gaan en aannemen, dat heel het verhaal der Acta van Paulus' conflict met de Atheensche philosofen en wat daarmede samenhangt, dat met hetgeen D a m i s omtrent Apollonius' optreden vertelt, in bijzonderheden overeenkomt, niet op werkelijkheid berust, maar slechts een reflex is uit eene oudere biographie van Apollonius. Dat deze in goed: Attisch geschreven was, bewijzen enkele opvallende Atticismen in het hier besproken gedeelte der Acta.

Tegenover al deze overeenstemmingen staat nu echter één belangrijk onderscheid: terwijl Apollonius den pluralis xyvwruv ïxipivuv bezigt, gaat de rede op den Areopagus uit van een altaar xywaTu Srsy in den singularis. Dat de pluralis het oorspronkelijke is, staat vast: altaren van onbekende goden kennen we ook van elders, in Phaleron (Pausanias I, 1, 4:

Sluiten