Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van E u r i p i d e s bewijzen, dat we hier met een algemeen postulaat van het hoogere Godsbegrip te doen hebben:

^SÏTXI "/Xp 0 $£0?, l'tXSp t T T 0 p $ CC 9 S £ 6 , flܧ£VC9.

Zoo verwondert het niet, dat de Epicureërs hetzelfde leeren, al was ook hun praktijk eene andere dan die der Stoa: cf. P h 11 o d e m. de mus. Vol. Herc. I c. 4, 6 (U s e n e r, Epic., p. 258):

OTl Tl èxi^SVlOV [/.éV OU X pOT^SÏTXl T 11/0 - Tl

Vs CpVTiy.Óy ÜTT1V XUTO Ti/CiÜ», [jA/.lTTX [JLEV 171X1 ~ UX0^\p£TIV, SXSITX Si' XX) T0Ï~ XXTX TO XXTpiOV Xxpxè&0f/.£VSI ~ SXXTTUI TCCV y.xTx f/Jpo ~.

Evenmin kan ik iets bijzonders vinden in het gebruik van liet compositum xporiïsïcrSxi, vooral niet waar het de I<oivj betreft.

Dat de auteur der rede in elk geval niet rechtstreeks uit* Stoïcijnsche bron behoeft te hebben geput, blijkt ten overvloede uit P s e u d o-A rist. ad P h i 1 o c r. § 211, waar God xxpoT^sv)- en II Maccab. 14 3.-,, waar Hij l tüv iaccv a.xpo'ihe^? wordt genoemd.

Maar de gedachte is zuiver Oud-Testamentisch, en dit komt nog beter uit, wanneer men niet met N o r d e n (hij keurt dit elders af!) de aangehaalde woorden afzonderlijk neemt, maar vss. 24—26 in hun onderling verband beschouwt: vgl. 3 Kon. 8 a? sqq.; Ps. 49 (50) 9 sqq., 12, 13; Jes. 661 enz. (Sept.).

b. ^VjTëlv TOV bsiv, s] XpX "/£ ■■pVt}.X$-/]7£ IXV XUTOV XXI SUpOISV

(vs. 27a).

De voorstelling, dat de mensch God moet „zoeken'' en Hem „vindt", is natuurlijk ook volgens Nor den in het Oude Testament zeer gewoon: Amos 5 n; Jes. 55 0; Deut. 429; Ps. 14 2 [Rom. 3 11]. Hij meent echter, dat ze in de Acta door de

staan; want hij laat ihem daar zeggen, dat de Stoïcijnsche inslag der rede zóó sterk is, dat men ,,zur Erldarung- milt einem Verweis auf die typisdheln Requisiten der jüdisch-Christlichen Missionspredigt nicht auskommt".

Sluiten