Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

redeneering bewijst men nog niet de onjuistheid van zijn gevoel. Reitzenstein uit hetzelfde bezwaar, als hij over het citaat oordeelt: „Es kann an sich den vorausgehenden Satz h xvtïc yxp ^cc,usv xx) xivoóf&sSx xx) irtyAv gar nicht belegen", doch gebruikt de anomalie ter bevestiging van zijne en N o r d e n's hypothese, dat een Stoïcijnsch geschrift aan dit deel der rede ten grondslag ligt: om de woorden uit A r a t u s hier te begrijpen — zoo redeneert hij —, moet de lezer het verband kennen, waarin ze oorspronkelijk voorkomen; *) dit verband echter is hier niet aangegeven, terwijl men wel de strekking van de geheele plaats van A r a t u s bij D i o2) terugvindt. Afgezien daarvan, dat deze verklaring staat of valt met de hypothese, gaat ze ook in zooverre mank, als Reitzenstein zelf moet erkennen, dat A r a t u s hier niet uitdrukkelijk Zeus als den het al vervullenden wereldgod aanduidt. Ik zou daarom althans de vraag willen stellen, of niet oorspronkelijk het citaat in de rede ontbroken heeft, zoodat de zin üg (xxi) tivcs töjv xxZr' vfixg 7ror/,ruv eip^xxni geheel op het voorafgaande slaat, en met Yévoc ovv vttxpxovtsc tov ©£oïi een nieuw gedeelte begint, dat zich aansluit aan vss. 24 en 26, waarin de Goddelijke oorsprong der menschen besloten ligt. Wanneer na «?■ xxi tpsc twv iixSfuftxs 7roiyjTxv slpyiy.xtt aanstonds de woorden: révo? ovv ttvxpxovres tov @eov volgden, is het zeer begrijpelijk, dat een lezer deze met elkaar in verbinding heeft gebracht en daarom

!) Phaenomena, vs. 1 sqq. (ed. Maass, 1893):

'ey. alig xpx^^^x' tov ov^sttot', xvèpss, èccf/.sv 'xppvjtov [avttx) a/s? 5txvxi firn xyvixi,

irxixi 1>' xvSpónrcov xyopxl, [/.sttvi Se §xKxt<tx xxi hi/zévsr trxvttf sè a/s? y.£xpw&x txvtsc'

tov yxp xx) yèvos éei/téw sqq.

Aratus steunt hier blijkbaar op Kleanthes, wiens beroemde hymne op Zeus Stobaeus, Ecl. I 1, 12 p. 25, 3 ons bewaard heeft: vgl. vs. i sq.:

èx (tov yxp yévog efo' %xou f/J^^x Xxxóvreq ftovvi, o(jx £clisi t£ xx) spTTsi Sv^t'èir) yxïxv (v. Arnim, Stoïc. vet. Fragm. I, 1905, p. 121 sq).

2) Zie hierboven.

Sluiten