Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het persoon is. Aan dezen gedachtengang zal de leuze: „sociaal verantwoordelijk is ieder" wel niet vreemd zijn.

Doch zóó is het niet gesteld. Het woord „vatbaarheid" wijst hier op gansch bepaalde eigenschappen, waaraan het subjet, de persoon, moet voldoen, zal ooit deze toerekening intreden, zal toerekening behoorlijk zijn. Het subject moet als persoon bovendien verkeeren in een staat van psychische normaliteit en rijpheid, zooals van Hamel1) dit op zijne wijze uitdrukt. Wanneer is dit het geval?

Het maakt geen onderscheid of deze vraag wordt gesteld met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor een onrechtmatige daad, dan wel in verband met een strafbaar feit. In beide gevallen vormt art. 87 W. v. Sr. het uitgangspunt.

Is dit wel juist, is art. 37 wel toepasselijk, waar het geldt een onrechtmatige daad? Het wordt wel ontkend. Ziet men scherp toe, dan valt in het oog, hoe nauw het verband is tusschen hen, die dit uitgangspunt verwerpen en de „soziologische Jurisprudenz , de wetenschap, die het volle menschelijk leven uit een bepaald (?) oogpunt wil bezien. Men fran als volgt redeneeren. Art. 37 Sw. bepaalt: niet strafbaar is hij, die enz.; dit beteekent, dat in zulke gevallen straf geen zin zou hebben, doelloos zou zijn. Straf immers is een leed, of een veiligheids- of beveiligingsmaatregel, dat uit bepaalde overwegingen of motieven den overtreder worde aangedaan of op den overtreder worde toegepast. Hoe zal het voorgestelde doel worden bereikt bij menschen met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing der verstandelijke vermogens? Zulke kunnen, althans in den regel, door de straf niet worden gedetermineerd. Volkomen juist sluit daarom de wet de straf voor zulke menschen uit.

Ik wil niet tornen aan de waarde van dit betoog, noch ontkennen, dat het een kern van waarheid bevat. Het betoog is voor ons waardeloos. Immers in dezen gedachtengang wordt de straf geordend in sociologische categorieën; dit nu is voor hem, die zin en inhoud van de wet wil bepalen, o. i. een geheel verkeerde methode. Voor den rechter is het antwoord op de vraag of de dader toerekeningsvatbaar is, niet afhankelijk van deze: zal de straf op dezen dader wel den gewenschten invloed hebben.

1) Inleiding tot de studie van het Nederlandsche Strafrecht, 3e druk, pag. 387

Sluiten