Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(20)

op den grond van den nabuur een steigerwerk te plaatsen of daarover te gaan om bouwstoffen aan te brengen, is de eigenaar van dien grond verplicht zulks te dulden, behoudens schadeloosstelling indien daartoe gronden zijn.

„Hier wordt", schrijft Scholten1), „de nabuur verplicht het te dulden". „Maar schadeloosstelling moet „volgen. Ook hier dus schadevergoeding uit rechtmatige „daad". De nabuur handelt rechtmatig. Volgens de blijkbare onderstelling van Scholten is het gevolg, het feit, dat de nabuur nu in de uitoefening van zijn eigendomsrecht wordt beperkt of belemmerd, evenzeer rechtmatig. Hoe nu? De voorstelling van dezen toestand doet den wetgever weldadig aan; „zoo behoort het". En toch# — als er schade is geleden moet die vergoed worden! En die vermogenstoestand, die toch door de handeling kan worden gewijzigd en moet zijn gewijzigd, wil van schadevergoeding sprake zijn, was geheel conform den wil der wet, deze toestand zou de goedkeuring, de genegenheid, de liefde der rechtsorde wegdragen? Dat noem ik apenliefde.

Uiteraard hebben wij ook hier te doen met een botsing van belangen. De wet staat den nabuur toe te repareeren, onvoorwaardelijk; doch zij „wil" niet, dat de nabuur ten gevolge van die handeling schade lijdt, m. a. w. een toestand (als gevolg dezer handeling), die voor den nabuur nadeelig is, keurt zij af. Het gaat de wet, als den toeschouwer bij het voetbalspel: hij verlustigt zich in die handelingen, zij dragen zijn goedkeuring, zijn instemming weg. Maar als soms deze of gene voetbalspeler bewusteloos of gekwetst van het veld wordt weggedragen, wordt hij door de aanschouwing daarvan pijnlijk getroffen, onbehaaglijk aangedaan; ook dit gevolg is echter

') T. a. p., bl. 59.

Sluiten