Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Al verder heeft de uitlegger te bedenken, dat een wetboek niet in die mate volkomen is, dat bij eenig of wellicht ook veel nadenken, steeds een „eindeutige", objectieve beslissing in de wet kan worden gevonden. Er blijft steeds een element van twijfel over; voor zijn denken zal hij dikwijls een leemte moeten aannemen, die hij zal moeten aanvullen uit een fonds, dat voor hèm, maar daarom wellicht niet voor zijn ambtgenoot, algemeen geldig is.

Bovendien liggen aan de wetsbepalingen dikwijls bepaalde rechtslogische1) oordeelen ten grondslag, die niet zijn uitgesproken, maar niettemin als inhoud der wet moeten worden aangemerkt. In het bijzonder is dit van belang, als ze betreffen regelen van aansprakelijkheid. Dat b.v een strafbaar feit altijd een onrechtmatige gedraging of handeling is, wordt wel niet steeds door de wet geleerd; immers vermeldt ze meermalen het onrechtmatigheidsvereischte niet, maar niettemin moet het steeds ondersteld worden, het is een „subintelligendum". Zoo moet als een subintelligendum worden aangemerkt het vereischte van schuld bij overtreding. In den loop onzer uiteenzetting zal gelegenheid bestaan op meer subintelligenda te wijzen.

3. Voor de uitlegging van het strafrecht geldt nog een bijzonderheid. Bij de uitlegging van het burgerlijk recht is als middel van uitlegging algemeen erkend de analogie en wel op grond van art. 13 Wet A. B.. Intusschen, over de toelaatbaarheid van een uitleggingsmiddel kan (rechtskundig) de wet niet in laatste instantie oordeelen, want om deze wet te leeren kennen moet men haar eerst uitleggen; de uitleggingsmiddelen zijn dus in dezen zin anterieur aan de wet (en hare kennis).

Het heerschend gevoelen2) sluit in strafzaken de analogie uit. M. i. terecht! Ze moet in verband met art. 1 Sr. en met het oog op de eischen der rechtszekerheid en die der persoonlijke vrijheid ontoelaatbaar worden geacht en o. i. onder alle omstandigheden.

!) Dat ook algemeen-logische oordeelen bij de uitlegging gelden, behoeft wel geen nader betoog. Dit geldt bepaaldelijk voor het beginsel der te vermijden tegenspraak. De rechter — hij immers alleen kan eigenlijk zeggen wat rechtens is — zal dan ook tegenspraak van den wetgever hebben te vermijden, d. w. z. het een of het ander voor niet geschreven hebben te beschouwen. Dat zulks niets heeft uit te staan met een transcendente critiek van de wet, dat dit een aangelegenheid van de rechtspraak is en niet een misbruik van den rechter (die ook wetgever wil zijn), lijkt ons niet of moeilijk voor tegenspraak vatbaar.

2) Zie de praeadviezen van de Nederlandsche Juristenvereeniging van 1922 uitgebracht door Mrs. Mendels en Van Slooten.

Sluiten