Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen maar een wenschen. Ik kan wenschen, dat de zon ondergaat, willen kan ik dit niet. Het willen vertrouwt op eigen kracht, het wenschen richt zich tot een vreemde macht, op welker meewerking wel steeds kan gehoopt, maar niet altijd gerekend kan worden.

Willen is een streven, met vooral deze kenmerken: de doelvoorstelling en het activiteitsgevoel1). Met name ook op het eerste valle de nadruk; elk willen moet gericht zijn op een doel2).

2. Wordt het willen — verder steeds genomen in psychologischen3) zin — niet gestoord, dan doorloopt zijn ontwikkeling drie phasen: de doelstelling, de overlegging, de beslissing. Hierbij sluit zich dan de uitvoering aan.

In de eerste phase ontstaat de voorstelling van het voorwerp van ons willen. De bron, waaruit deze voorstellingen ontstaan, zijn zeer verschillend. Deze voorstellingen kunnen, als ze in ons bewustzijn opgetreden zijn, weer verdwijnen zonder merkbare sporen achter te laten. Maar ook kan het zijn, dat ze ons niet met rust laten, ons tot handelen lokken. De mensch is hierbij niet passief, maar kan dikwijls als arbiter optreden en oordeelen over den aandrang, die op hem uitgaat. Dit oordeelen, dit afwegen is het kenmerkende van de tweede phase. Het zijn vooral twee vragen, die hier aan de orde komen en beantwoord willen worden:

a. mag ik dat doel verwerkelijken, d. i. heb ik daartoe het recht, past dit een fatsoenlijk mensch, is dat niet onzedelijk, komt dat met mijn belangen overeen?

b. kan ik het doel verwerkelijken? d. i. ben ik daartoe in staat, gaat dat mijn inzicht en kracht niet te boven? Allerlei argumenten

J) Wel valt bij het willen nog op andere momenten te wijzen: het bewustzijn der inspanning (het subjectieve of zustandliche Moment") en de spanningsgewaarwordingen (het aanschouwelijke moment); maar deze momenten missen van uit ons standpunt in dit verband fundamenteele beteekenis.

2) Dit is het psychologische willen, dat, we wezen er reeds op, wel moet onderscheiden worden van het causale willen, van de impulsen, die de spieren tot beweging of tot niet-beweging aandrijven, het bevel, waardoor het psychophysisch apparaat in beweging of in rust wordt gebracht of gehouden. Dat beide niet samenvallen, valt in het oog. Ik kan dan ook in psychologsichen zin willen, wat ik niet door mijn willen veroorzaak, en door mijn willen veroorzaken, wat ik psychologisch niet wil (zie Sigwart, t. a. p., blz. 177—180).

s) Men kan n.1. ook spreken van den wil in normatieven of ook in fictionalistischen zin; zoo spreekt men van den wil van den Staat, wil der wet, wil der vereeniging enz.. Dat willen heeft echter op het gebied van het strafrecht geen beteekenis en blijve dus hier buiten bespreking.

Sluiten