Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prudentie1) erkend: als causaliteitstheorie, helaas niet altijd streng onderscheiden van de schuldleer2), de theorie van de c. s. q. n. met het beginsel der adaequiteit als nadere inperking der verantwoordelijkheid voor de conditioneele schuldlooze veroorzaking3).

9. De vraag, wanneer een bepaalde verandering door een bepaalde handeling als veroorzaakt kan worden aangemerkt, is natuurlijk zeer oud. Maar deze vraag welbewust en algemeen voor alle verandering, die strafrechtelijk van belang is, gesteld, is eerst van den laatsten tijd. Tot voor korten tijd kende ons leerstuk slechts een casuistische behandeling en slechts zelden een wettelijke regeling. Casuistisch was de behandeling in het Romeinsche recht: de beantwoording der vraag was geheel aan den rechter overgelaten. Casuistisch was ook de behandeling in het oudere Germaansche recht. Wel beproefde men eenige uitwendige criteria te geven, b.v. doordat men een tijdelijke grens, een wettelijken termijn stelde, binnen welke de dood moest zijn ingetreden om van levensberooving te kunnen spreken, of ook door aan te nemen, dat iemand niet oorzaak is van eens anders dood, als deze, nadat hij verwond was, zoover hersteld was, dat hij zonder bezwaar op straat of ter kerk kon gaan, en deze daarna weer ziek werd en aan de „gevolgen" der verwonding nu overleed4). Later opereerde men meer met het begrip voor noodwendige oorzaak, vooral bij doodslag, zoo Carpsovius en de Josephina. Dit heeft geleid tot de z.g.n. letaliteitsvragen: is de verwonding'voor een mensch, van welke constitutie ook, doodelijk (letalitas absoluta) of alleen voor een mensch met bepaalde bijzondere constitutie letalitas relativa; is de verwonding onder alle omstandigheden doodelijk (letalitas in abstracto) of alleen onder bepaalde omstandigheden (letalitas in concreto); is de verwonding op zich zelf reeds doodelijk (letalitas per se) of eerst doordat andere omstandigheden („tusschenoorzaken") er bijkomen (letalitas per accidens). Deze onderscheiding heeft nog nagewerkt tot in de 19e eeuw (zoo nog in het Oostenrijksche Wetboek tot 1852) in dier voege, dat uitdrukkelijk bepaald werd, dat het geen onderscheid mocht maken of de letaliteit (het gevolg) per

x) De H. R. heeft bij arr. van 7 Juni 1911, W. 9209 beslist, dat de wet geen aanwijzing geeft omtrent het causaah'erband, welks bestaan in concreto moet worden onderzocht en beslist.

2) Zie van Hamel, t. a. p., blz. 245.

3) Zie ook S i m o n s, t. a. p., dl. I, blz. 127 en 128.

*) Vgl. Makarewicz, Einfiihrung in die Philosophie des Strafrechts, 1906, blz. 414.

Sluiten