Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prijs geeft, om dat van anderen ongeschonden te behouden. Er is hier een persoonlijke omstandigheid, die de strafbaarheid uitsluit. Maar ook deze uiteenzetting brengt niet het noodige licht. Want als de nadruk moet vallen op hetgeen de wetgever vorderen mag, dan is de consequentie niet te ontgaan, dat men dan nader de houding van dien wetgever bepaalt, dat men aangeeft of den wetgever zulk handelen onverschillig is, dan wel, of hij zulk handelen veroorlooft, of eindelijk of hij dit verbiedt.

In ieder geval behoort dan deze questie niet besproken te worden onder of in verband met de schuldleer, maar bij de leer van de onrechtmatigheid. Wel merkt de schrijver op, dat we hier te doen hebben met een persoonlijke omstandigheid, die de strafbaarheid uitsluit. Maar, vergissen wij ons niet, dan is uit het leerboek van dezen auteur niet op te maken, in welk constitutief element van het „strafbaar feit" (of van het delinquents-begrip) deze persoonlijke omstandigheid gelegen is. En juist daarop zoeken wij een antwoord! Dat hij, die in overmacht handelt, nooit gestraft zal worden, dat weten we, want het staat met zoovele woorden in de wet. Waarom hij echter niet gestraft mag worden, met name of hij een strafbaar feit heeft verricht (zij het ook, dat hij geen delinquent is) en zoo neen, waarom hier dan van geen strafbaar feit sprake is, — dat kunnen wij, zooveel ons betreft, uit des schrijvers uiteenzetting niet lezen.

Wij kunnen dan ook niet anders zien, dan dat voor de scheiding tusschen overmacht en noodtoestand geen deugdelijke gronden zijn aangegeven en dat met name wat S i m o n s over overmacht schrijft, niet houdbaar is en evenmin een antwoord is op de in deze materie toch zoo belangrijke vraag naar het constitutieve element van het strafbare feit, dat door de overmacht wordt getroffen.

3. De geschiedenis van de overmacht toont aan, dat oudtijds aan den nood een veel grootere plaats werd toegekend dan aan den psychischen drang. Reeds in het Romeinsche Recht werden verschillende bepalingen gegeven voor het handelen in nood. Het Kanonieke Recht kende een algemeenen regel als „necessitas non habet legem", of „quod non est licitum in lege, necessitas facit licitum". Ook het Germaansche Recht. De C. C. C. sloot zich nauw bij het Kanonieke Strafrecht aan. De natuurrechtsleeraars hebben aan den nood niet geringe aandacht geschonken, daarbij vooral er naar strevend, een formule voor den rechtsgrond van het handelen in nood te vinden (b.v. Grotius, Puffendorf, Thomasius, Kant, F i c h t e, H e g e 1).

zevenbergen, Strafrecht. 8

Sluiten