Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

£ƒ. Hij is 1 iartdelirïgsSëkaStam, die zijn spieren kan willen bewegen. Wie dit kan, kan dan ook een rechtsfeit wederrechtelijk verwerkelijken. Ook de niet-toerekeningsvatbare kan dit. „Toerekeningsvatbaarheid" onderstelt, in ons verband, logisch handelingsbekwaamheid, onderstelt een onrechtmatige rechtsfeitsverwerkelijking.

Daarom evenwel, omdat wij onrecht gepleegd hebben, treft ons nog geen verwijt, zijn wij in het bijzonder toerekeningsvatbaar. Want toerekeningsvatbaarheid onderstelt, zeggen we voorloopig, een S ..psychische gezondheid". Onder degenen, die een handeling verrichten, die beantwoordt aan de wettelijke omschrijving en onrechtmatig is, zijn er, die wel en die geen schuld kunnen hebben, wijl sommigen wel, andere niet-toerekeningsvatbaar zijn. Anderzijds is schuldvatbaarheid iets anders dan „Straffahigkeit". Vast staat dan ook wel, dat de toerekeningsvatbaarheid, althans volgens het standpunt van onze wet, niet behoort te worden beoordeeld naar de mate van den socialen invloed van het feitelijk gebeuren der strafvolI trekking op den dader. Toerekeningsvatbaarheid is niet „Straffahig' keit", maar „Schuldfahigkeit".

2. Toerekeningsvatbaarheid is regel; niet-toerekeningsvatbaarheid uitzondering. De vraag voor den vgetgigaer is derhalve niet, wanneer is de dader toerekeningsvatbaar, maar wanneer is de toerekeningsvatbaarheid uitgesloten.

Dit standpunt van den wetgever is niet dat van den <f££Efer. Immers om te weten of de dader schuld heeft, moet vaststaan, dat hij toerekeningsvatbaar is. Voor den rechter geldt daarom, dat de toerekeningsvatbaarheid een positief vereischte is, zij het ook, dat wegens het negatieve der formuleering deze toerekeningsvatbaarheid niet behoeft te worden bewezen en in het vonnis opgenomen1). ( 3. De methoden, die de wetgever bij de regeling van deze materie 1 kan toepassen, heeft men wel onderscheiden in de biologische of aetiologische, de psychologische of somatische en de synthetische of

!) In dezen geest besliste ook H. M. O. van 3 Juli 1888, T. v. Str. dl. VI, overzicht art. 37 No. 30. Zie ook van Hamel, t. a. p., blz. 392, Sim ons, t. a. p., dl. I, blz. 182. In dit verband is van belang het arr. v. d. H. R. van 11 December 1905, W. 9311 o. m. luidend, „dat art. 37 niet is geschonden, doordat de rechter niet een uitdrukkelijke beslissing heeft gegeven omtrent de toerekeningsvatbaarheid van den dader, nu niet blijkt, dat de veroordeelde beroep heeft gedaan op zijn ontoerekeningsvatbaarheid", enz. Uit een en ander blijkt dus, dat zonder meer de rechter geen uitspraak over de toerekeningsvatbaarheid behoeft te geven, tenzij beklaagde zich op niet-toerekeningsvatbaarheid beroept.

Sluiten