Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De omschrijving, o. a. door van Hamel1) gegeven, gaat verder, \m. i. te ver. Qeëischt wordt, dat de geschiktheid bestaat om het maatschappelijk ongeoorloofde van de handelingen te beseffen. O. i. komt het evenwel op dit inzicht (n.1. in het maatschappelijk ongeoorloofde) niet 'aan. Beschouwt men toch het maatschappelijk ongeoorloofde als datgene, wat volgens de in de maatschappij geldende regelen ongeoorloofd is, dan eischt men te veel, somtijds zelfs iets onmogelijks (conflicten!); noemt men maatschappelijk ongeoorloofd alles behalve wat rechtens ongeoorloofd is, dan eischt men iets, wat voor de rechtelijke toerekeningsvatbaarheid geheel irrelevant is.

12. Wat hebben we nu te verstaan onder de geschiktheid om overeenkomstig genoemd inzicht zijn wil te bepalen, kortweg onder de geschiktheid tot zelfbepaling?

Bekend is, dat in verschillende wetgevingen2) van vrije wilsbepaling wordt gesproken en dat zich hieraan een strijdvraag heeft vastgeknoopt, deze n.1. of de wet daarmee zou hebben gewild, dat de toerekeningsvatbaarheid afhankelijk zou zijn, niet slechts van de mogelijkheid, maar van de werkelijkheid eener vrijheid van des menschen wil. Onze wet spreekt daar niet van en we hebben geen grond aan te nemen, dat onze wet een dergelijk positienemen zou hebben gewild. Voor ons bestaat er derhalve geen aanleiding om hier een bespreking van dit vraagstuk in te voegen. Men versta ons echter wel. Er behoeft wel niet op te worden gewezen, dat met de bepaling van den inhoud en zin der wet de taa*: van de rechtsgeleerde nog niet is voltooid. De wetuitlegger bepaalt den werkelijken inhoud eener wet, dat is zijn bewuste zelfbeperking. Maar daarmede is het laatste woord over de wet nog niet gezegd.

Gevraagd kan en moet worden, hoe de wetsinhoud zich voegt in de eenheid onzer wereld- en levensbeschouwing. Van zelf is daarmede de eisch eener critische overweging harer voorschriften ondersteld en deze overweging vereischt weer een bezinning over de grondstellingen, waarop de wet is gebouwd. Gaat het uit dit oogpunt om de regelingen en grondstellingen, dan, maar ook dan alleen, is het probleem der vrijheid van den menschelijken wil niet te ontwijken.

Onder^vrité" vtaïsBgfiafaiiT worde hier verstaan de vrijheid van 1 inwendige storingen, de afwezigheid van onweerstaanbare drang, b.v. door ziekelijke storing of gebrekkige ontwikkeling der verstan-

!) T.a. p., blz. 387.

2) Aldus b.v. § 51 D.S. G. B.; ten onzent art. 40 Ontwerp Staatscommissie en art. 47 O. R. O..

Sluiten