Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, deze voorstelling, dan ontbreekt ook de dolus. In het bijzonder op het bewustzijn der onrechtmatigheid komt het aan; het bewustzijn van strijd met de regels der moraal, of voorschriften van cultuur of zeden komt niet in aanmerking, als niet het bewustzijn der wederrechtelijkheid daarmede gepaard gaat.

5. Niet mag het bewustzijn der strafwaardigheid eener rechtsfeitsverwerkelijking worden geëischt. Het is niet noodig, dat de dader weet, dat een handeling als hij denkt te verrichten, met straf is bedreigd, en nog minder welke straf en met welk maximum deze is bedreigd en al evenmin is noodig dat de dader bekend is met de bijkomende voorwaarden van strafwaardigheid. Al deze ) momenten behooren niet tot de voorwaarden voor de schuld. Schuld ( toch onderstelt wel onrechtmatigheid, maar niet strafwaardigheid., Met het bewustzijn der onrechtmatigheid worde volstaan. Ontbreekt dit, om welke oorzaak dan ook. dan is er cwn or>7ef Dp7p

/ul consequentie is van veel belang voor het leerstuk der dwaling.

(Zie Arr. v. Hof Amsterdam van 23 December 1890 W. 5989.)

6. We hebben er in het voorafgaande op gewezen, dat, behoudens eenige uitzonderingen, ten onzent de leer van den dolus malus verworpen is volgens het heerschend gevoelen. De uitzonderingen, waarvan hier sprake is, bestaan hierin, dat de wet zelf met zoovele woorden den dolus malus eischt. Wat toch is het geval? Zooals vroeger is gebleken, wordt gewoonlijk over de onrechtmatigheid niet gesproken. Soms echter is dit het geval wel, en vinden we de uitdrukking wederrechtelijk.

Anders staat het met het vereischte van opzet zonder meer. Dit moet, zoo wordt veelal geleerd, natuurlijk steeds uitdrukkelijk vermeld worden, omdat immers veelal een feit ook culpoos kan worden gepleegd. De wijze waarop de wetgever dit vereischte gesteld heeft, is verschillend. Meestal bezigde hij de uitdrukking £ „opzettelijk", gevolgd door het daarbij in aanmerking komende werkwoord (art. 98, 111, 125, 142,, 152 2V 157, 184, 207, 209, 220, 228, 236, 250, 252 2°, 254, 255, . 261, 272, 274, 287, 302, 321, 32910, 348, 350, 355 4°, 380; 461, Sr., enz.). In andere £ gevallen blijkt het opzetsvereischte uit het werkwoord zelf (opruien art. 131, aanzet 157, verleidt 247, te vondeling legt 256, 108, 109, 126, 140, 147, 197, 242, 274, 300 Sr.); of uit de omschrijving £ van het (met geweld art. 95, 121, 143, 145, 180, 284, Sr.);

of doordat sprake is van een bijkomend oogmerk en dus de handeling uiteraard opzettelijk moet verricht zijn (b.v. art. 92, 101, 125, 174, 187, 225, 243, 253, 281, 310, 341.). Of ook de zevenbergen, Strafrecht. 11

Sluiten