Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijving1), maar mist hij die aangaande de wederrechtelijkheid, althans heeft hij haar mogelijkheid onderschat, dan spreken wij van rechtsculpa.

Was echter ook het beeld, dat de dader zich van den feitelijken toestand vormde, niet overeenkomstig het beeld, dat de wet aangeeft, m.a. w. beschouwde hij den feitelijken toestand anders dan de wet ze in hare wettelijke omschrijving aangeeft (hij meende veilig te kunnen schieten), dan is er culpa in engen zin, als hem van de vorming van dit beeld een verwijt kan worden gemaakt (hij had kunnen voorzien, dat de baan niet veilig was, maar menschen passeerden).

5. De wet spreekt in art. 198, 199 Sr. van onachtzaamheid en in art. 356 Sr. van grove schuld. Er is echter geen reden hierin een bijzonderen vorm of schakeering der culpa te zien.

6. Schuld (culpa) is, evenals opzet, een normatieve eigenschap der handeling, en is niet een ,,ding". Wel formuleert en hanteert de wet het culpabegrip als een „res" en nog wel als „causa", maar dat mag ons er niet toe leiden de normatieve, adjectivistische natuur der culpa uit het oog te verliezen.

7. Culpa is een gebrekkig^g/rf of laakbaarteY^ die gegrond is in het gemis aan die opmerkzaamheid bij de tot standkoming van het wilsbesluit, die van rechtswege behoorde te worden in acht genomen en ook door dezen dader in deze omstandigheden aan den dag gelegd kon zijn.

De opmerkzaamheid wordt van rechtswege gevorderd, met dien verstande, dat de mate of omvang daarvan door den rechter behoort te worden aangegeven, immers, niet door de wet zelf met zoovele woorden is aangegeven. Wat deze derhalve hier zal beslissen, hangt af van zijn appreciatie. In ieder geval zijn echter de normen of richtsnoeren die, naar het oordeel van den rechter, de dader had dienen na te komen of op te volgen, objectief, d. w. z.i hierbij is en kan geen rekening gehouden met de Individualiteit van den dader. Ongetwijfeld zou het onredelijk zijn, de alleruiterste zorgvuldigheid te eischen. Daarom spreekt het vanzelf, dat niet elke onoplettendheid grondslag voor het schuldoordeel zijn kan, tenzij men hier weer denkt aan de van rechtswege in concreto geëischte oplettendheid, want dan komt elke onoplettendheid, hoe gering ook in aanmerking2).

Het is ook hier niet noodig, dat de dader den feitelijken toestand in a, zijn concrete bepaaldheid heeft voorgesteld, maar slechts dat wat hij zich voorstelde, beantwoordde aan de wettelijke omschrijving.

*) Zie ook Sim ons, t. a. p., dl. I, blz. 235.

Sluiten