Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prov. Staten en Gemeenteraad. Van meer belang is de straffeloosheid van de Koningin, de Regent en de straffeloosheid van den Nederlander in geval van art. 5 Sr..

De straffeloosheid (onschendbaarheid) van den Koning is met zoovele woorden erkend in art. 53 Gr. W., wat betreft de regeeringshandelingen. Echter geldt deze „onschendbaarheid" ook alle andere feiten. Dit is niet zoozeer een analoge toepassing van art. 53 Ow.( zooals b.v. van Hamel1) meent, als veelmeer eensubintelligendum. De niet uitdrukkelijke vermelding der straffeloosheid in de wet blijkt dan ook psychologisch haren grond te vinden in het feit, dat deze straffeloosheid nimmer werd betwijfeld en daarom geen erkenning in de wet behoefde, als iets dat van zelf sprak.

De straffeloosheid mag niet in verband worden gebracht met het oude princiep: princeps legibus solutus est. Immers de Koning is boven geen enkele wet verheven, integendeel aan de wettelijke bepalingen onderworpen als ieder ander. De niet-nakoming van de door deze bepalingen gevestigde verplichting is dan ook ten aanzien van den Koning „onrechtmatig", zooals trouwens het feit, door hem gepleegd, een delict is, als het alle kenmerken van een delict vertoont. Slechts is de Koning niet een strafbare dader.

Deze onschendbaarheid van den Koning (in) geldt niet ook voor de leden van het Koninklijk Huis, daarentegen wel voor den Regent.

Eindelijk is een strafuitsluitingsgrond de hoedanigheid van Nederlander in geval van art. 5 Sr.. De Nederlandsche Strafwet is alleen toepasselijk op den Nederlander, die zich buiten het rijk in Europa aan een feit schuldig maakt, genoemd onder art. 5 lo. en 2o. Hier is de hoedanigheid van Nederlander een element van de hoedanigheid van den delinquent. Is in deze gevallen de dader niet een Nederlander, dan hebben we nochtans te doen met een misdrijf; hij die het pleegde, pleegde derhalve een strafbaar feit. Dat hij niet behoort gestraft te worden ligt hierin, dat er een omstandigheid in den persoon van den dader , gelegen is, die de straf uitsluit (de dader is geen Nederlander). Wat, het is reeds meermalen opgemerkt, van belang is voor deelneming.

6. Deze gronden in den persoon van den dader gelegen, die de straf uitsluiten, behoeven niet door schuld of opzet te zijn beheerscht; hieruit volgt dan ook, dat dwaling hieromtrent van geen invloed op de strafbaarheid van den dader is. Als A een horloge steelt, meenende dat het zijn vrouw toebehoorde, en hij buiten het bereik

*) T. a. p., blz. 202. zevenbergen, Strafrecht.

13

Sluiten