Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toestand zelf is onrechtmatig, en wijl niet onherstelbaar, blijft deze als zoodanig voortduren, totdat hij weer wordt opgeheven (men denke a'an diefstal, verduistering van staat).

c. Dan staan hiernaast de voortdurende delicten, d. w. z. zulke, die naar hun wettelijke omschrijving bestaan in het verwerkelijken dezer wettelijke omschrijving over een kortere of langere tijdsruimte; het laten, dat op de positieve handeling is gevolgd, is een ononderbroken uitvoeringshandeling (b.v. art. 223, art. 282 Sr.) (hier hebben we te doen met een afloopend en een voortdurend delict).'

De onderscheiding hier bedoeld is van belang voor noodweer, voor deelneming en verjaring.

5. Naar gelang den schuldgraad, die voor het strafbare feit vereischt wordt, kan men onderscheiden tusschen doleuze en culpose delicten.

a. Doleus zijn die delicten, die alleen kunnen worden gestraft, als de dader, wat de schuld aanbelangt, met opzet heeft gehandeld; zoo niet het tegendeel blijkt, is opzet als mogelijkheidsbewustzijn (dolus eventualis) voldoende.

Culpoos zijn die delicten, die slechts kunnen worden gestraft, als de dader, wat de schuld aangaat, met culpa heeft gehandeld. Daar culpa den dolus uitsluit1) kan een culpoos delict nimmer geacht worden gepleegd te zijn, als blijkt, dat de dader het rechtsfeit opzettelijk heeft verwerkelijkt. Dit is van belang voor de interpretatie van verschillende art. als art. 287, art. 160, 158 Sr. enz.. Anders is het geval, als de wet geacht moet worden met culpa te volstaan; dan is de bedoeling, dat het feit onder dezelfde strafbedreiging valt, onverschillig of het dolo dan wel culpa is gepleegd (zoo, als regel, bij de overtredingen).

b. Sommige delicten eischen een bijkomend oogmerk, andere niet. De eerste eischen behalve dolus nog een nader oogmerk; dat er bij moet komen, zal het feit op de strafbedreiging passen, het zijn de „Absichtsdelikte"; bij andere delicten is dit niet het geval (b.v. art. 113, 132, 271, 208, 225 enz. Sr.).

6. In verband met het oogmerk2) onderscheiden wij de gewoonte

!) Zie § 29.

2) Het kenmerkende van den zielstoestand, die door deze nader te noemen delicten ondersteld wordt, is dus, dat deze toestand door causale factoren, die naar het verleden wijzen, is ontstaan. Zulks in onderscheiding van het oogmerk en de oogmerksdelicten, waarbij de richting van den wil dus de toekomst, het kenmerkende is.

Sluiten